‘Je hoeft niet mee,’ zei ik tegen Thomas. ‘Ik breng Lotte wel.’
Hij keek op van zijn telefoon. Zijn gezicht bleef rustig, maar zijn duim stopte midden in de beweging.
‘Ik ga mee.’
‘Waarom?’
‘Omdat het om onze dochter gaat.’
Hij zei het op die kalme toon die hij gebruikte wanneer hij wilde doen alsof ik onredelijk was. Alsof mijn vraag geen vraag was, maar bewijs dat ik weer moeilijk deed.
Lotte zat aan de keukentafel in ons huis in Amstelveen. Ze hield haar hand tegen haar linkerwang en kauwde alleen aan de rechterkant. Haar ogen waren rood van de pijn, maar ze huilde niet.
‘Papa gaat mee,’ zei ze zacht.
Ik keek naar haar. Er zat iets in haar stem dat niet bij een gewone tandpijn hoorde. Geen opluchting. Geen blijdschap. Alleen voorzichtigheid.
‘Prima,’ zei ik.
Thomas glimlachte kort. Daarna pakte hij zijn jas.
De tandartspraktijk lag aan een drukke straat in Utrecht, boven een apotheek en naast een winkel waar altijd fietsen tegen de gevel stonden. Onze tandarts, Noor El Amrani, was zevenenveertig en werkte al jaren in de praktijk. Ze kende Lotte sinds haar eerste controle.
Toen we binnenkwamen, begroette Noor ons vriendelijk. Maar zodra ze Thomas zag, verdween de glimlach van haar gezicht.
Niet helemaal. Alleen genoeg om het op te merken.
Thomas merkte het ook.
‘Alles goed?’ vroeg hij.
‘Zeker,’ antwoordde Noor.
Ze keek nog een seconde naar hem voordat ze zich tot Lotte richtte. ‘Kom maar mee, lieverd. We gaan even kijken wat er aan de hand is.’
Thomas wilde achter haar aan lopen.
‘U kunt in de wachtkamer blijven,’ zei Noor.
‘Ik ben haar vader.’
‘Dat weet ik.’
De manier waarop ze het zei, maakte de lucht in de kleine behandelkamer zwaarder.
Thomas ging uiteindelijk zitten. Hij sloeg zijn armen over elkaar en keek naar mij alsof hij wilde zeggen dat ik beter moest opletten. Ik bleef naast hem zitten, met mijn tas op schoot en mijn vingers om de rits geklemd.
Na een paar minuten kwam Noor naar buiten.
‘Mevrouw De Ruiter, wilt u even meekomen?’
Thomas kwam meteen overeind.
‘Waarom?’
Noor keek hem recht aan. ‘Ik wil alleen met de moeder over de behandeling praten.’
‘Ik ben haar vader.’
‘En zij is haar moeder,’ zei Noor. ‘U kunt hier wachten.’
Zijn kaak verstrakte. Heel even zag ik de man die ik de laatste maanden steeds vaker zag: koud, berekenend, geïrriteerd omdat iemand hem niet meteen gehoorzaamde.
Ik liep achter Noor aan.
Lotte lag in de behandelstoel. Op het scherm stond een röntgenfoto van haar kaak. Noor wees naar een kleine beschadiging aan een kies.
‘Er zit een barstje,’ zei ze. ‘Niet ernstig, maar het kan pijn doen. Ik wil het vandaag schoonmaken en tijdelijk vullen.’
‘Hoe komt dat?’
‘Waarschijnlijk door iets hards waarop ze heeft gebeten.’
Lotte keek naar het plafond.
‘Ze zei dat ze gisteren op een lepeltje had gebeten,’ zei Thomas vanaf de deuropening.
Ik draaide me om. ‘Dat heb je niet verteld.’
‘Je vroeg het niet,’ antwoordde hij.
Noor keek naar hem. Daarna keek ze naar Lotte.
‘Kun je je nog herinneren wanneer het precies begon?’
Lotte knikte, maar zei niets.
Noor gaf haar een spiegel en begon met de behandeling. Thomas bleef in de deuropening staan. Hij keek niet naar zijn dochter. Hij keek naar Noor.
Toen de behandeling klaar was, haalde Noor haar handschoenen uit en liep naar mij toe.
‘U krijgt van mij de instructies mee,’ zei ze. ‘Uw dochter mag vanavond geen harde dingen eten.’
‘Dat is alles?’
‘Voor nu wel.’
Thomas stapte opzij zodat we langs hem konden. Zijn hand legde zich kort op Lottes schouder. Ze kromp ineen.
Het was een kleine beweging. Zo klein dat iemand anders het misschien niet had gezien.
Noor zag het wel.
Bij de uitgang trok ik mijn jas aan. Lotte stond naast mij met haar hand tegen haar wang. Thomas was al naar buiten gelopen om de auto te halen.
Noor kwam achter ons aan.
‘Mevrouw De Ruiter,’ zei ze.
Ik draaide me om.
Ze pakte mijn jas bij de mouw vast alsof ze iets wilde rechtzetten. Toen voelde ik een klein, opgevouwen papiertje in mijn zak verdwijnen.
‘Bel me als de pijn erger wordt,’ zei ze hardop.
Haar vingers bleven één seconde langer op mijn arm liggen.
Daarna liep ze terug naar binnen.
In de auto zei niemand iets. Thomas reed door de natte straten van Utrecht alsof hij naar huis wilde voordat de regen harder werd. Lotte zat achterin en keek uit het raam.
Mijn hand lag op het briefje in mijn jaszak.
Ik durfde het pas thuis te lezen.
Thomas liep rechtstreeks naar de keuken.
‘Ik maak thee,’ zei hij.
‘Ik wil eerst even met Lotte boven zitten.’
Hij keek naar me. ‘Waarom?’
‘Omdat ze pijn heeft.’
‘Ze heeft een vulling gekregen, Eva. Geen transplantatie.’
Dat was typisch Thomas. Hij maakte iets klein en keek daarna toe of ik me liet overtuigen.
Ik nam Lotte mee naar haar kamer. Ze ging op haar bed zitten terwijl ik de deur half dichttrok.
‘Wat gebeurde er gisteren met die lepel?’ vroeg ik.
Ze keek naar haar knieën.
‘Ik weet het niet.’
‘Lotte.’
‘Papa zei dat ik moest zeggen dat ik op een lepel had gebeten.’
Mijn hand bleef halverwege de beweging hangen.
‘Waarom?’