DEEL 3 — Op Schiphol wist ik nog niets
Sophie zat naast mij in de vertrekhal met haar knieën tegen haar borst.
Feline lag half over mijn schoot en at veel te langzaam een kaasbroodje.
"Wanneer belt papa?" vroeg ze.
Mijn hart trok samen.
"Waarschijnlijk later."
Sophie keek niet op van haar boek.
"Hij belt niet."
"Dat weet je niet."
"Jawel."
Ze was negen en had in zes maanden tijd een scherpte ontwikkeld die ik haar liever nog jaren had bespaard.
"Pap heeft vandaag die echo."
"Ja."
"Van de baby."
"Ja."
"De jongen."
Ik haatte hoe zij dat laatste woord uitsprak.
Niet boos.
Alsof "de jongen" een officiële titel was.
"De baby," verbeterde ik.
"Is hij belangrijker dan wij?"
Feline keek op.
Daar was de vraag.
Niet in een rechtszaal.
Niet bij een kinderpsycholoog.
Bij gate D26 met een half opgegeten broodje.
Ik had Maurits kunnen vernietigen.
Eén zin.
Je vader zei vanochtend dat ik jullie maar moest meenemen omdat hij nu een zoon krijgt.
Ik zei het niet.
Niet omdat hij bescherming verdiende.
Omdat zij niet zijn vuilnisbak waren.
"Jullie zijn niet minder belangrijk omdat iemand een jongen verwacht."
Sophie trok haar wenkbrauw op.
"Dat was mijn vraag niet."
Verdomme.
Ze leek op mij.
"Ik weet niet waarom papa sommige keuzes maakt."
"Maar hij heeft ingestemd dat wij verhuizen."
"Ja."
"Dat zegt wel iets."
"Ja."
Ik weigerde haar voor te liegen.
"Het zegt dat hij op dit moment denkt dat dit de beste regeling is."
Sophie keek naar haar schoenen.
"Voor wie?"
Ik had geen antwoord.
Mijn telefoon trilde.
Maurits.
Ik keek naar het scherm.
Niet opnemen.
Twee seconden later opnieuw.
Toen nog eens.
Sophie zag zijn naam.
"Waarom belt hij ineens wel?"
"Geen idee."
Hij stuurde een bericht.
WAAR BEN JE?
Nog één.
NEEM OP.
En:
WE MOETEN PRATEN VOORDAT JULLIE VERTREKKEN.
Mijn maag draaide.
Een uur eerder hoefde er niets besproken.
Nu ineens wel.
Ik liep een paar meter weg en belde Hannah.
Mijn advocaat nam direct op.
"Alles goed?"
"Maurits belt alsof er brand is."
"Heeft hij iets gezegd?"
"Alleen dat we moeten praten."
"Wil je?"
"Nee."
"Dan hoeft het niet."
"Kan hij de reis stoppen?"
"Niet op basis van een paniektelefoontje. Jullie hebben schriftelijke toestemming en de afspraken zijn definitief vastgelegd."
"En als hij naar de marechaussee belt?"
"Dan bestaan documenten."
Die zin kalmeerde me.
Geen geheim.
Geen ontsnapping.
Papier.
Ik stuurde Maurits één bericht.
Wij zijn op Schiphol zoals afgesproken. De verhuizing vindt plaats conform het door ons beiden ondertekende convenant en jouw expliciete toestemming. Als er iets juridisch veranderd moet worden, laat Hannah contact opnemen met jouw advocaat. Ik bespreek niets in de vertrekhal waar de kinderen bij zijn.
Hij belde opnieuw.
Ik zette mijn telefoon stil.
Sophie keek naar mij.
"Is papa boos?"
"Waarschijnlijk overstuur."
"Waarom?"
"Dat weet ik nog niet."
Dat was waar.
Om 11.42 uur zaten wij in het vliegtuig.
Feline drukte haar neus tegen het raam.
Sophie deed alsof het haar niets deed.
Toen de deuren sloten, kreeg ik nog één bericht binnen voordat vliegtuigmodus aanging.
Van Maurits.
Babette heeft gelogen. Het kind is niet van mij. Ga alsjeblieft nog niet.
Ik las het.
Nog eens.
Mijn eerste emotie was geen vreugde.
Geen triomf.
Geen heerlijke karmische explosie.
Alleen een diep, moe soort ongeloof.
Daarna keek ik naar mijn dochters.
En iets in mij werd hard.
Niet omdat Babette had gelogen.
Omdat Maurits pas nu blijkbaar vond dat hij twee dochters had die niet zo makkelijk mochten vertrekken.
Ik typte niets.
De stewardess vroeg de telefoons uit te schakelen.
Ik deed het.
En om 11.47 uur steeg het vliegtuig op.