Tijdens de afwikkeling van het familievermogen was ook het testament van zijn overleden vader opnieuw ter sprake gekomen.
Willem Coleman had jaren eerder een afzonderlijke familiestichting opgericht.
Daarin zat onder meer een groot pakket aandelen.
David had altijd aangenomen dat hij uiteindelijk de volledige zeggenschap zou krijgen.
Maar het testament en de stichtingsvoorwaarden waren anders opgesteld.
De aandelen waren bestemd voor Willems kleinkinderen.
Niet uitsluitend voor jongens.
Sophie en Emma waren de aangewezen begunstigden, met onafhankelijke beheerders die hun belangen moesten beschermen totdat zij volwassen waren.
David kon niet zelfstandig over die aandelen beschikken.
Zijn toekomstige kinderen zouden bovendien niet automatisch dezelfde aanspraken krijgen.
Toen zijn advocaat hem dat uitlegde, bleef David minutenlang stil.
‘Mijn vader heeft me dat nooit verteld.’
‘Er is correspondentie waaruit blijkt dat de regeling destijds met u is besproken.’
David herinnerde zich een gesprek op een winteravond.
Zijn vader had gezegd dat het bedrijf nooit het eigendom van één generatie mocht worden.
David had geantwoord dat hij later wel voor een opvolger zou zorgen.
Zijn vader had hem toen aangekeken.
‘Je hebt al twee mogelijke opvolgers.’
David had gedacht dat hij een grap maakte.
Nu begreep hij dat zijn vader bloedserieus was geweest.
In Zürich ontving Catherine die middag een telefoontje van haar juridisch adviseur.
David had inmiddels begrepen welke positie zij werkelijk had.
Hij wilde met haar spreken.
Catherine zat aan een houten tafel in de tuin van het familiehuis bij het Meer van Zürich.
Emma was op het gras aan het spelen.
Sophie las een boek op een ligstoel.
‘Hij mag een verzoek doen via mijn advocaat,’ zei Catherine.
‘Hij wil rechtstreeks met jou praten.’
Catherine keek naar haar dochters.
‘Niet over de financiering. Dat loopt via de verantwoordelijke bestuurders.’
‘En persoonlijk?’
Ze zweeg even.
‘Daarover moet ik nadenken.’
Toen ze ophing, kwam Sophie naar haar toe.
‘Was dat papa?’
Catherine knikte.
‘Wil hij ons zien?’
‘Hij heeft gevraagd of we kunnen praten.’
Sophie sloot haar boek.
‘Waarom nu?’
Catherine had geen eenvoudig antwoord.
En ze wilde haar dochter geen leugen vertellen.
‘Ik weet niet precies waarom hij nu contact zoekt.’
Sophie keek naar het huis.
‘Ik wil hem wel zien. Maar ik wil niet dat hij weer tegen jou schreeuwt.’
Catherine sloeg een arm om haar heen.
‘Dat hoeft ook niet.’
Een week later ontving ze een brief van David.
Geen bericht van zijn advocaat.
Geen zakelijke eis.
Een handgeschreven brief waarin hij toegaf dat hij hun dochters jarenlang had behandeld alsof zij niet genoeg waren geweest.
Hij schreef dat hij begreep dat hij zijn vertrouwen had verspeeld.
Maar midden in de brief stond ook een verzoek.
Of Catherine de financiering nog één keer wilde verlengen.
Catherine legde de brief neer.
Daar stond het.
Spijt.
En geld.
Nog altijd op dezelfde bladzijde.