Deel 4: Zevenendertig gemiste oproepen uit Burnaby
Gunther vouwde de plastic zak dicht zoals mijn moeder vroeger een theedoek vouwde. In drieën, de randen precies op elkaar. Zijn handen waren zo groot dat de telefoon erin verdween, en toch deed hij het voorzichtig, alsof het iets breekbaars was.
We zaten in de familiekamer aan het eind van de gang. Een bank van grijs leer, een koffieautomaat die zoemde, een schilderij van tulpen. David lag drie deuren verderop, met een agent van de recherche voor zijn deur. Saskia Bakker had gebeld en binnen twintig minuten stond er een man in een spijkerbroek en een regenjas in de gang. Rechercheur Bas Hendriks, Recherche Amsterdam. Hij zat nu naast me, met een notitieboekje op zijn knie.
„Vertel het maar vanaf het begin, meneer Molenaar,” zei hij.
Gunther Molenaar. Zo heette hij voluit. Geboren in Emmen, vijfenvijftig jaar, op zijn tweeëntwintigste naar Canada vertrokken omdat er in Drenthe geen werk was voor een jongen van zijn formaat die niet wilde vechten. Negentien jaar beveiliger in een gesloten psychiatrische kliniek bij Vancouver. Daarna particuliere zorg, voor de patiënten die niemand anders wilde hebben.
„Ik heb meneer Kramer nooit geslagen,” zei hij als eerste. Hij keek me recht aan. „Dat wil ik dat u weet, mevrouw. U vroeg om keiharde discipline. Discipline is regels. Geen klappen. Wie in mijn vak slaat, heeft het vak niet begrepen.”
„Wat waren de regels?” vroeg Hendriks.
„Telefoon in de kluis, op verzoek van de opdrachtgever. Eten om zeven, twaalf en zes. Medicijnen om negen uur, onder toezicht. Geen bezoek na achten.” Hij haalde zijn schouders op. „Hij gooide drie keer zijn bord tegen de muur. De eerste week. Daarna niet meer.”
Ik moest bijna lachen. Ik deed het niet.
Gunther haalde een klein zwart notitieboekje uit zijn borstzak. Het soort dat je bij de Hema koopt, met een elastiekje eromheen.
„In de kliniek moesten we alles opschrijven. Elke handeling, met tijd erbij. Voor als er klachten kwamen. Dat ben ik blijven doen.” Hij legde het op de salontafel. „Alles staat erin. Wat hij at. Wat hij zei. Wie er belde.”
Hendriks sloeg het open. Kleine, rechte letters. Datum, tijd, handeling.
„De telefoon,” zei Hendriks.
„Die lag in de kluis van de kamer. Maar hij stond niet uit, dat mocht niet van meneer Kramer. Ik hoorde hem trillen door de deur heen.” Gunther tikte op een bladzijde. „Zevenendertig keer, in drie weken. Steeds hetzelfde nummer. Canadees. Ik heb het genoteerd.”
Hendriks haalde de telefoon uit de zak, met handschoenen aan. Het scherm lichtte op. Een vergrendelscherm met een foto van een zeilboot. Niet van de kinderen. Van een boot.
Onder de klok stonden de meldingen. Zevenendertig gemiste oproepen. Rick P. En één voicemail, waarvan de telefoon zelf een uitgeschreven voorproefje had gemaakt. In het Nederlands. Een beetje krom, zoals die automatische teksten zijn, maar leesbaar.
Kramer met Rick. Ze is niet geland. Ik heb op de luchthaven gestaan tot de laatste koffer. De tweede auto staat nog in mijn garage. Zwart. Zoals afgesproken. Ik wil de rest van mijn geld. Twintigduizend. Anders bel ik je vrouw zelf.
Hendriks las het hardop. Langzaam. Toen keek hij naar mij.
„Mevrouw. De tweede auto.”
„Er was een autoverhuur in het dossier,” zei ik. Mijn stem klonk van ver weg. „Een zwarte Ford Explorer. Op mijn naam. Af te halen op de luchthaven.”
„En meneer Kramer en mevrouw De Wit,” zei Hendriks, „in wat voor auto zaten zij toen ze verongelukten?”
Niemand wist het. Hendriks schreef het op en onderstreepte het twee keer.
Gunther schraapte zijn keel. „Er is nog iets. Daarom ben ik meegevlogen.”
Hij sloeg het boekje open bij een bladzijde met een vouw erin.
„Om negen uur kreeg hij zijn morfine. Dan werd hij rustig. Na een uur begon hij te praten. Niet tegen mij. Tegen niemand.” Hij las voor, in zijn platte Drentse Nederlands, en het maakte het erger. „Elf september, tweeëntwintig uur veertien. Niet die auto. Emily, niet de zwarte. Rick, je hebt de verkeerde gebracht. Vijftien september, drieëntwintig uur nul twee. Ze moest erin zitten. Niet wij. Zij.”
Hij sloeg het boekje dicht.
„Ik heb dertig jaar naar mensen geluisterd die 's nachts praten,” zei hij. „De meeste dingen betekenen niks. Dit wel.”
Ik stond op. Ik liep naar het raam. Buiten op het Amstelveld stond een man met een hond te wachten tot die klaar was met snuffelen aan een lantaarnpaal. Gewoon. Een gewone dinsdag.
Ze moest erin zitten.
Hij had niet gedreigd met de tienduizend euro omdat hij een verpleegster nodig had. Hij had gedreigd omdat ik in die auto moest stappen. Het ongeluk had zijn plan niet gestopt. Het had het alleen vertraagd. En vanuit zijn ziekenhuisbed had hij nog geprobeerd me in dat vliegtuig te krijgen. Met Lily als hefboom.
„Hoe wist u dat u met mij moest praten?” vroeg ik zonder me om te draaien. „En niet met hem?”
Het bleef even stil.
„Toen u belde, die eerste keer,” zei Gunther, „vroeg ik waarom u zelf niet kwam. U zei: mijn dochter ligt aan de zuurstof. U zei het niet om medelijden. U zei het alsof u een adres opgaf.” Hij wreef met zijn duim over het elastiekje van zijn boekje. „Ik heb ook een dochter gehad. Ze had astma. Toen ze vier was, lag ze ook zo. Ik zat toen in Canada en zij in Emmen, bij haar moeder. Ik kwam te laat.”
Hij zei het niet verdrietig. Hij zei het zoals hij de tijden in zijn boekje opschreef.
„Elke avond om negen uur, als meneer zijn pillen moest, dacht ik aan uw dochter. Ademt ze weer?”
Ik draaide me om. Ik pakte mijn telefoon en liet hem de foto zien van vanochtend. Lily in haar roze jurk, op de achterbank, haar wangen rood van het lachen omdat Lucas een scheet had gelaten.
Gunther keek er lang naar.
„Mooi,” zei hij. Meer niet.
Hendriks stond op en klapte zijn boekje dicht. „Ik neem dit mee, meneer Molenaar. Het boekje en de telefoon. U moet morgen een verklaring komen afleggen. En uw vlucht verzetten, ben ik bang.”
„Die had ik al verzet,” zei Gunther.
Op de gang hoorde ik wielen. Rubber op marmer. Het piepje dat ik een uur eerder ook had gehoord.
Emily rolde zichzelf de familiekamer in, met één hand, de andere in een mitella. Achter haar liep een agente die haar moest bewaken en die er duidelijk niet op had gerekend dat haar arrestant zo snel kon rijden. Emily's rode jurk was gekreukt. Haar mascara zat op haar wangen.
Ze keek niet naar Hendriks. Niet naar Gunther. Alleen naar mij.
„Ik weet wie Rick is,” zei ze. „En ik weet wat er met die zwarte auto gedaan is. Ik zat erin.”
Hendriks deed een stap naar voren. Ze stak haar goede hand op.
„Ik praat alleen met haar,” zei ze. „Met niemand anders. Eerst met haar.”