ZEVEN ZONEN EN EEN REIGER

Deel 5: De zwarte Ford op de Sea-to-Sky Highway

Ik ben Emily de Wit. Ik ben vierentwintig, ik kom uit Zaandam, en op 8 september om kwart over vier 's middags trapte de man van wie ik dacht dat hij van me hield op een rempedaal dat niets meer deed.

Dat vertelde ik Clara van der Meer in de familiekamer van een kliniek in Amsterdam, met een agente bij de deur en mijn pols in het gips. Ik had haar twee jaar lang gehaat zonder haar ooit te spreken. Ze was de vrouw in de foto op zijn bureau. De vrouw die „niets begreep van het bedrijf”. De vrouw die hem „klein hield”.

Nu zat ze tegenover me in een wit pak, en ze was jonger dan ik had gedacht. En moeër.

„Begin bij Rick,” zei ze.

„Rick Postma.” Ik moest even slikken. „Hij heeft vroeger in de Waalhaven gewerkt, als monteur op de schepen. David kent hem van toen, van voordat hij het bedrijf had. Rick is twaalf jaar geleden naar Canada gegaan. Hij heeft een garage in Burnaby. Hij verhuurt auto's zonder papieren aan mensen die geen vragen willen.”

„Wist jij wat Rick moest doen?”

„Nee.” Ik zei het te snel. Ik zag dat ze het zag. „Niet zo. Ik wist dat er iets met jou moest gebeuren. David zei: Clara gaat een tijd weg. Ze gaat de kinderen niet meer tegen me opzetten. Ik dacht... ik dacht aan een scheiding. Aan advocaten. Ik ben niet slim, mevrouw Van der Meer. Ik ben goed in agenda's.”

Ze zei niets. Dat was erger dan als ze me had uitgescholden.

„Vertel over 8 september.”

Ik deed mijn ogen dicht. Ik zag het nog elke nacht.

„We logeerden in het huis in West Vancouver. Het staat op mijn naam, dat weet u inmiddels. David had twee auto's besteld bij Rick. Een witte voor ons. En een zwarte, die op de garage moest blijven staan tot jij kwam. Op 26 september.” Ik keek naar mijn gips. „Die ochtend belde Rick dat de witte klaarstond bij het huis. Hij had een jongen gestuurd om hem af te leveren. De jongen had de sleutel in de brievenbus gegooid. David was in een goed humeur. We gingen naar Whistler, lunchen. Hij wilde me een chalet laten zien.”

„En het was de zwarte.”

„Het was de zwarte.” Mijn stem brak. Ik liet hem breken. „David had niet gekeken. Hij had het over het chalet. Over wat we gingen doen als alles geregeld was. Toen we de afdaling bij Squamish op reden, drukte hij op de rem en er gebeurde niets. Hij drukte nog een keer. Hij pompte. Ik zag zijn gezicht.”

Ik had mijn hele leven nog nooit iemand zo zien kijken. Niet bang. Begrijpend.

„Hij schreeuwde: dit is de verkeerde auto. Dit is de verkeerde auto. Rick, klootzak. Hij stuurde naar de rotswand, omdat er aan de andere kant niks was dan de afgrond en het water. Ik weet nog dat ik dacht: hij doet het voor mij. Hij kiest de rots voor mij.” Ik lachte, en het klonk lelijk. „Hij koos de rots voor zichzelf. Zijn kant van de auto was minder hard geraakt dan de mijne.”

Clara keek naar de koffieautomaat. Haar kaak bewoog.

„In het ziekenhuis,” zei ik, „toen ik weer wakker was, kwam hij in een rolstoel naar mijn kamer. Met een verpleger. Hij boog zich naar me toe en zei: jij hebt niets gehoord. Als je praat, sta jij op de papieren van het huis, op de rekeningen, op alles. Jij hebt het geld weggesluisd, Emily. Niet ik. Hij had gelijk. Ik heb overal getekend. Hij gaf me een pen en ik tekende.”

„En toen belde hij mij,” zei Clara zacht. „Om te komen wassen.”

„Hij had Rick al gebeld. Vanaf zijn bed, voordat jouw Gunther kwam. Rick moest een tweede zwarte auto klaarzetten. David zei tegen hem: ze komt. Ik zorg dat ze komt. Ze komt altijd.”

Ze kwam altijd. Ik had het hem honderd keer horen zeggen, als hij laat thuiskwam of een verjaardag vergat. Clara komt altijd terug. Clara zegt nooit nee.

Behalve deze ene keer.

„Waarom vertel je me dit?” vroeg ze. „Je weet dat het je niet helpt. Je zit hier met een arrestatiebevel op je schoot.”

Ik keek naar mijn handen. Mijn nagels waren nog gelakt, rood, van de ochtend dat we naar Whistler gingen. Ze waren half afgebladderd.

„Omdat ik die middag in de stoel zat waar jij in had moeten zitten,” zei ik. „Ik weet hoe het voelt als de rem niet werkt. Ik heb vijf seconden gehad om te begrijpen dat ik doodga. Jij zou er ook vijf hebben gehad. Op dezelfde weg. Met dezelfde rotswand.”

Ze zei een hele tijd niets.

„Mag ik iets vragen?” zei ik toen. „Was je dochter echt zo ziek? David zei dat je overdreef. Dat je altijd overdreef om aandacht.”

Clara pakte haar telefoon. Ze zocht iets en draaide het scherm naar me toe. Een meisje van vier, heel klein in een groot ziekenhuisbed, met een doorzichtig kapje over haar neus en mond. Slangetjes. Een knuffelkonijn met een pleister op zijn oor.

Ik draaide mijn hoofd weg. Ik kon er niet naar kijken.

Mijn eigen moeder woont nog in Zaandam, in een rijtjeshuis met een carport. Ze denkt dat ik voor een groot bedrijf werk en veel reis. Ze heeft nog nooit gevraagd waarom ik met kerst niet kom.

„Ik leg een verklaring af,” zei ik. „Bij die rechercheur. Alles. Het huis, het geld, Rick. Ook wat ik heb getekend.”

Clara knikte. Ze stond op.

„Er is nog iets,” zei ik snel. Ze bleef staan. „Rick heeft alles opgenomen. Elk gesprek met David. Hij zei een keer tegen me, toen David er niet bij was: ik bewaar het als verzekering, meisje. Voor als hij niet betaalt. En David heeft hem nooit betaald. Niet de rest.”

„Waar zijn die opnames?”

„Bij Rick.” Ik haalde mijn eigen telefoon tevoorschijn. De agente had hem nog niet afgepakt, ze was het vergeten. Ik opende een bericht van gisteravond, 23.48 uur, en hield het omhoog. „Hij heeft me dit gestuurd. Omdat hij dacht dat ik nog bij David was.”

Clara boog zich naar het scherm.

Zeg tegen Kramer dat ik niet langer wacht. Ik vlieg morgen naar Amsterdam. KL682. Ik kom mijn geld halen. En als hij niks meer heeft, haal ik het bij zijn vrouw. Ik heb gehoord dat zij nu alles heeft.

Ik keek op de klok boven de koffieautomaat.

Het was tien over vijf. De vlucht landde morgenochtend om 07.15 uur.