ZEVEN ZONEN EN EEN REIGER

Deel 7: Een opname van zeventien seconden uit Vancouver

„Bent u familie van Rick Postma?”

Het was het eerste wat ik zei. Nog voordat ik de voordeur had opengedaan. Ik hoorde het zelf, en ik wist op hetzelfde moment dat het de slechtste zin was die ik had kunnen kiezen.

Ineke Postma keek me rustig aan. Een vrouw van in de vijftig, grijs kort haar, een fleecevest onder haar jas. Ze had het soort gezicht dat al duizend keer een deur open had zien gaan bij mensen die de slechtste dag van hun leven hadden.

„Ik ken geen Rick Postma, mevrouw,” zei ze. „Postma is een van de meest voorkomende namen van Friesland. Mag ik binnenkomen?”

Ik zag haar iets opschrijven terwijl ze haar schoenen op de mat veegde. Eén woord. Ik kon het niet lezen. Ik kon het wel raden.

Gunther bleef buiten. Hij zei dat hij een eindje ging lopen. Ik zag hem naar het park lopen, met zijn handen in zijn zakken en zijn hoofd naar beneden, zoals iemand die niet in de weg wil staan.

Tante Riet zat met de kinderen in de woonkamer. Lily lag op de bank onder een dekentje, met het konijn met de pleister, naar een film van Nijntje te kijken. Lucas zat aan tafel te tekenen. Hij keek op toen we binnenkwamen en ging rechter zitten.

Ineke Postma ging in de keuken zitten. Ze wilde geen koffie. Ze legde een map op tafel.

„Ik ga eerlijk zijn,” zei ze. „Er is een zorgmelding gedaan door de advocaat van uw ex-man. Die gaat over uw gedrag de afgelopen weken. Mijn taak is niet om te bepalen wie er gelijk heeft in uw scheiding. Mijn taak is om te kijken of Lily en Lucas veilig zijn. Begrijpt u dat?”

„Ja.”

„Goed.” Ze sloeg de map open. „Kunt u mij uitleggen waarom u een bewaker uit een gesloten psychiatrische kliniek heeft ingehuurd voor uw man?”

Ik had het uitgelegd aan Hendriks. Aan Saskia Bakker. Aan Van Dongen. Ik had het in mijn hoofd tien keer uitgelegd aan mezelf. Maar nu ik in mijn eigen keuken zat, met de vaatwasser die nog moest worden uitgeruimd en de broodtrommel van Lucas op het aanrecht, klonk alles wat ik bedacht als een excuus.

„Hij dreigde Lily's behandeling stop te zetten,” zei ik. „Als ik niet naar Canada kwam. Ze lag aan de zuurstof. Ik was boos. Ik wilde dat hij voelde hoe het is als iemand anders over je beslist.”

„Dus het was wraak.”

„Het was...” Ik stopte. „Ja. Het was ook wraak.”

Ze schreef het op. Ze keek niet op.

„Er is een opname,” zei ze. „Van uw telefoongesprek met het bureau. Zeventien seconden. Ik heb het transcript.” Ze schoof een vel naar me toe. Mijn eigen zinnen, uitgetypt, met de tijd erboven. 02.14 uur. Ik wil iemand die hem met keiharde discipline behandelt. Ik betaal driedubbel tarief.

„Ik had twee nachten niet geslapen,” zei ik.

„Dat geloof ik.” Ze zei het niet onvriendelijk. „Maar u begrijpt hoe dit leest, voor een rechter die u niet kent.”

Uit de woonkamer kwam Lucas de keuken in. Hij had zijn tekening in zijn hand.

„Dit is voor u,” zei hij tegen Ineke Postma. Hij had een vliegtuig getekend. Met een heel groot raam en daarachter een poppetje met een lachend gezicht. „Dat is papa. Hij gaat naar Canada.”

„Wat mooi.” Ze pakte hem aan. „Lucas, mag ik je iets vragen? Hoe is het met mama de laatste tijd?”

Lucas dacht na. Hij is een kind dat nadenkt voor hij iets zegt. Dat heeft hij van mijn moeder.

„Mama huilt op de wc,” zei hij. „Met de kraan aan. Zodat wij het niet horen.”

Ineke schreef niets op. Ze keek hem alleen aan.

„En als mama op de wc huilt, wat doe jij dan?”

„Dan zet ik de tv harder voor Lily.”

Ik draaide mijn gezicht naar het raam. In de tuin stond het fietsje van Lily met de zijwieltjes, nat van de regen van vannacht. Ik had het in de schuur willen zetten. Ik was het vergeten.

Ineke Postma bleef nog een uur. Ze praatte met tante Riet. Ze keek in de kinderkamers. Ze vroeg naar het UMC, naar de school van Lucas, naar wie er voor de kinderen zorgde als ik weg was. Toen ze haar jas aantrok, gaf ze me haar kaartje.

„De zitting over het spoedverzoek is vrijdag,” zei ze. „Om tien uur, rechtbank Midden-Nederland. Ik schrijf voor die tijd een kort advies. Ik zeg u eerlijk: de opname helpt u niet. Uw zoon helpt u wel.”

Ze aarzelde bij de deur.

„En mevrouw Van der Meer. Die vraag over Rick Postma. Ik heb hem opgeschreven. Ik raad u aan om vrijdag geen mensen te beschuldigen die u niet kent.”

De deur viel dicht.

Ik ging aan de keukentafel zitten en legde mijn hoofd op mijn armen.

Iemand had Rick gewaarschuwd. Hij had ingecheckt en was niet aan boord gegaan. Wie wist dat hij zou komen? Emily, maar die had haar telefoon afgegeven. Gunther, die naast me had gestaan. Hendriks en zijn collega's.

En Van Dongen. Ik had hem gisteravond om tien uur gebeld, vanuit de auto, om te vertellen dat Rick zou komen. Omdat hij mijn advocaat was. Omdat ik hem alles vertelde.

Ik schudde mijn hoofd. Ik was moe. Ik zag spoken. Ik had net een vrouw van de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd of ze familie was van een monteur uit Burnaby.

Mijn telefoon ging. Een nummer uit Rotterdam dat ik niet kende.

„Mevrouw Van der Meer? U spreekt met Kees Mulder.” Een oude, voorzichtige stem. „Ik was tot vorig jaar controller bij Kramer Maritiem. Tot uw man mij ontsloeg. Ik hoorde dat u het bedrijf heeft gekocht.”

„Dat klopt.”

„Dan moet u iets weten. Ik heb vanochtend een vriend bij de bank gesproken. Hij mocht het me niet vertellen, maar hij kent me al dertig jaar.” Kees haalde adem. „Er ligt een bankgarantie van drie komma één miljoen euro. Afgegeven twee jaar geleden, voor een schip dat nooit is geleverd. U staat erop als hoofdelijk aansprakelijk. Met uw handtekening. De bank roept hem vandaag in. Bij u persoonlijk.”

Ik pakte een pen. Mijn hand trilde nu wel.

„Ik heb nooit iets getekend voor een schip.”

„Dat dacht ik al,” zei Kees. „Want ik heb een kopie voor me liggen. En de M in uw achternaam heeft een lus.”