Deel 9: Keizersgracht 418, en de brief op pagina zeven
De eerste keer dat ik aanbelde op Keizersgracht 418 was ik zesentwintig en had ik een plastic tas van de Albert Heijn bij me met alle papieren uit het ziekenhuis. Mijn moeder was drie maanden dood. Een routine-operatie aan haar galblaas, een anesthesist die de verkeerde dosis gaf, een verpleegkundige die de alarmen te laat zag. Niemand in het ziekenhuis wilde met me praten.
Meester Van Dongen deed zelf open. Hij nam de tas van me aan, zette me in een leren stoel en schonk thee uit een zilveren pot. Hij zei: „Dit gaat lang duren, Clara. Maar ik laat je niet los.”
Zes jaar lang liet hij me niet los. Ik dacht dat dat trouw was.
Om tien over één 's nachts zat ik in een verhoorkamer van het politiebureau aan de Marnixstraat. Rechercheur Hendriks had op de bank van zijn bureau geslapen, zei hij, omdat hij toch niet naar huis zou gaan. Hij droeg blauwe handschoenen. Gunther stond bij de deur. De envelop lag tussen ons op tafel, in een plastic zak, met het adres in Davids hanenpoten.
Keizersgracht 418, Amsterdam.
Geen naam. David wist dat er geen naam nodig was.
„Ik maak hem open,” zei Hendriks. „U kijkt mee. U raakt niets aan.”
Hij sneed de envelop open met een briefopener. Er zat één vel in. Dubbelgevouwen. Met rechtsonder het stempel van Delta Leven en een getal.
7.
Hendriks vouwde het open op tafel. Ik boog me voorover.
Akte van cessie. Ondergetekenden D. Kramer en C. van der Meer, als begunstigde respectievelijk verzekerde, verklaren hierbij dat van een eventuele uitkering uit bovengenoemde polis een bedrag van één miljoen euro (€ 1.000.000) wordt overgedragen aan Stichting Administratiekantoor Gracht 418, ter zake van verleende juridische en fiscale diensten.
Daaronder twee handtekeningen. Die van David. En de mijne, met een lus in de M.
En daaronder, met het kleine, sierlijke handschrift dat ik kende van zes jaar lang kerstkaarten en dossiernotities, een paraaf.
R.J. v. D.
Ik zei niets. Ik kon niets zeggen.
Hendriks draaide het vel voorzichtig om. Op de achterkant had David iets geschreven, met balpen, scheef, alsof hij het in bed had gedaan met het papier op zijn knie.
Reinier. Als ik val, val jij mee. Dit is het origineel. Zorg dat ze komt. D.
„R.,” zei ik. Mijn stem klonk alsof iemand anders hem gebruikte. „Op het geeltje. R. — alles ná week 38. Ik dacht dat het Rick was.”
„Leg het me uit,” zei Hendriks. „Langzaam.”
Ik legde het uit. Langzaam, omdat ik het zelf ook pas begreep terwijl ik praatte.
De schikking met het ziekenhuis. Zes jaar onderhandelen. Van Dongen was de enige die wist wanneer het geld zou komen. Niet ik. Hij hield me altijd vaag. Het kan nog maanden duren, Clara. Hou er rekening mee dat het nooit komt. Maar tegen David had hij het wel gezegd. Week 38. Derde kwartaal.
En David wist wat dat betekende. Als ik dood was, na week 38, was het geld van de schikking al van mij. En wat van mij was, ging naar mijn man. Samen met de kinderen. Samen met een polis van twee komma vijf miljoen, dubbel bij een ongeluk in het buitenland.
Tien miljoen euro, met een dode vrouw in een ravijn bij Squamish.
En één miljoen daarvan voor Keizersgracht 418.
„Maar het geld kwam eerder,” zei ik. „In week 36. Van Dongen belde me die dag zelf. Hij klonk... verbaasd. Hij zei: het ziekenhuis heeft eerder betaald dan ik had verwacht, Clara. Ik dacht dat hij blij was voor me.”
„Daarom wist uw man het niet toen hij u belde,” zei Hendriks. „Van Dongen had het hem nog niet verteld.”
„Of hij had besloten het hem niet meer te vertellen.”
We keken elkaar aan.
Ik dacht aan de ochtend in kamer 602. Van Dongen bij de deur, in zijn krijtstreep. Zo zat het in de kluis, Clara. Ik heb niets aangeraakt. Hij had me het dossier gegeven. Hij had David aan de FIOD gegeven, aan mij, aan de krant. Omdat David na het ongeluk niets meer waard was. Omdat David een man met twee gebroken benen was die praatte in zijn slaap. En hij had pagina zeven eruit gehaald, omdat hij dacht dat dit de enige was.
Maar David had het origineel. En David had geprobeerd het naar hem te sturen, als dreigement. Via een man die nooit iets op de post doet zonder toestemming.
Ik keek naar Gunther. Hij stond nog steeds bij de deur, met zijn armen over elkaar. Hij keek naar de grond.
„Als ik hem had gepost,” zei hij, „zoals meneer vroeg...”
„Dan had Van Dongen hem verbrand,” zei Hendriks. „En dan zaten we hier niet.”
Gunther knikte. Hij zei niets. Maar ik zag zijn schouders een centimeter zakken.
Hendriks pakte zijn laptop en tikte iets in. Hij las. Hij fronste.
„Gisteravond,” zei hij, „hoe laat belde u meneer Van Dongen over Rick Postma?”
„Om tien uur. Vanuit de auto.”
„Rick Postma heeft zijn vlucht om 22.31 uur geannuleerd. Online. Een half uur later.” Hij klapte de laptop dicht. „Dat is geen bewijs. Maar ik wil weten wie hem om 22.20 uur heeft gebeld.”
Ik legde mijn handen plat op tafel. Ik voelde de kou van het formica. Zes jaar thee uit een zilveren pot. Zes jaar „ik laat je niet los”. Hij had me geadviseerd om het bedrijf te kopen. Hij had één komma twee miljoen van mijn geld op zijn eigen derdengeldrekening laten staan, „als zekerheid”. Hij had me gezegd dat ik Gunther moest laten vallen. Dat poging tot moord zonder poging niet bestaat.
Hij had zelf meegeschreven aan de poging.
„Wat doen we nu?” vroeg ik.
„Nu doet u niets,” zei Hendriks. „Ik moet dit bij de officier van justitie leggen. Een advocaat oppakken, dat doe je niet op een paraaf en een briefje van een man die zelf verdachte is. Hij gaat zeggen dat het vervalst is. Dat Kramer hem erin wil luizen. En hij heeft een kantoor vol mensen die dat goed kunnen zeggen.”
„Dus hij loopt gewoon rond.”
„Voorlopig wel. En u gaat net doen alsof u niets weet.”
Om kwart over zes was ik thuis. Ik had niet geslapen. Ik stond in de keuken boterhammen te smeren voor Lucas, met pindakaas, omdat ik iets gewoons moest doen. De spaarpot stond op het aanrecht. Ik had hem nog steeds niet open gemaakt.
Om vijf voor zeven trilde mijn telefoon. Een bericht.
Goedemorgen Clara. Ik sta voor je deur. Ik heb croissants bij me en een plan voor vrijdag. We moeten praten voordat Van Lynden zijn volgende zet doet. Reinier.
Ik keek door het keukenraam naar buiten.
Zijn donkerblauwe Mercedes stond voor mijn huis. Hij stond ernaast, in zijn lange jas, met een papieren zak van de bakker in zijn hand. Hij zwaaide naar me.
Ik zwaaide terug.
Toen pakte ik mijn telefoon en drukte op opnemen.