ZEVEN ZONEN EN EEN REIGER

Deel 11: Een volmacht die Emily niet had gelezen

Emily's moeder droeg een jas van de Zeeman en had een tas met mandarijnen bij zich. Dat was het eerste wat ik zag toen ik die middag de ziekenhuiskamer binnenkwam waar Emily onder bewaking lag. Een vrouw van in de vijftig met geverfd rood haar en een gezicht dat leek op dat van haar dochter, maar dan ouder en harder, zat naast het bed mandarijnen te pellen. Ze legde de partjes op een papieren zakdoek op het nachtkastje. Emily at er niet van.

„Mam, dit is Clara,” zei Emily. „De vrouw van David.”

„Ex-vrouw,” zei ik.

Emily's moeder keek me lang aan. Toen stond ze op, veegde haar handen af aan haar broek en gaf me een hand.

„Sonja,” zei ze. „Ik heb gisteren pas gehoord wat mijn dochter heeft uitgespookt. Uit de krant.” Ze ging weer zitten. „Ik schaam me dood, mevrouw. Ik heb haar niet zo opgevoed.”

„Mam,” zei Emily zacht.

„Nee. Laat me.” Sonja pakte een nieuwe mandarijn. „Ik heb dertig jaar schoongemaakt bij de NS om haar naar school te laten gaan. Om haar te laten zitten in een kantoor met een computer. En dan dit.” Haar duim drukte zo hard in de schil dat het sap over haar pols liep. „Maar ze is mijn dochter. Ik zit hier.”

Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik knikte.

De notaris kwam om twee uur. Een echte notaris, deze keer. Mevrouw De Beaufort, van een kantoor in de Pijp dat Saskia Bakker me had aangeraden. Ze had een map onder haar arm en een stempel in een leren etui.

„Mevrouw De Wit,” zei ze tegen Emily. „U heeft vorige week een volmacht getekend ten gunste van meester R.J. van Dongen. Weet u wat erin staat?”

Emily keek naar het plafond. „Dat hij mijn zaken in Canada regelt. Voor mijn verdediging. Hij zei dat ik anders alles kwijt was, voor advocaatkosten.”

„Heeft u hem gelezen?”

„Hij zei dat het standaard was.”

De notaris legde een kopie op het dekbed. Ze wees met haar pen.

„Artikel 3. De gevolmachtigde is bevoegd tot verkoop van alle onroerende zaken, zonder voorafgaande toestemming van de volmachtgever, en tot het in ontvangst nemen van de koopsom op een rekening naar keuze van de gevolmachtigde.”

Emily las het. Ik zag haar lippen bewegen.

„Een rekening naar keuze van de gevolmachtigde,” herhaalde ze.

„Hij kan het huis verkopen,” zei ik, „en het geld op zijn eigen rekening laten storten. Jij hebt hem daar toestemming voor gegeven.”

Emily sloot haar ogen. Haar moeder legde een hand op haar been, op het dekbed, zonder iets te zeggen.

„Hij kwam op dinsdag,” zei Emily. „Een dag na het ziekenhuis. Hij had bloemen bij zich. Hij was zo aardig. Hij zei: David heeft je in de steek gelaten, meisje, maar ik niet. Hij vroeg naar Rick. Of Rick dingen opnam. Of ik wist waar Rick die dingen bewaarde.” Ze deed haar ogen open. „Ik dacht dat hij voor mij wilde weten wat Rick had. Om me te beschermen.”

„Wat heb je gezegd?”

„Dat Rick een kluis heeft in zijn garage. Achter het prikbord met de rekeningen.” Ze keek me aan. „Clara, ik heb het hem verteld.”

De notaris zette haar pen op tafel. „Wilt u de volmacht herroepen, mevrouw De Wit?”

„Ja.”

„Ik moet u vragen of u dat uit vrije wil doet. Of iemand u onder druk zet.” Ze keek kort naar mij.

Emily keek naar haar moeder. Sonja knikte, één keer, met haar mond strak.

„Ik doe het omdat ik voor één keer wil lezen wat ik teken,” zei Emily.

Ze tekende met haar linkerhand, omdat haar rechter in het gips zat. Het was een kinderhandtekening, scheef en groot. De notaris zette haar stempel eronder.

„Ik stuur dit vandaag nog naar de registers in Canada,” zei ze. „Maar u moet begrijpen: dat kan dagen duren. Als hij morgen in Vancouver is en een koper heeft klaarstaan...”

„Dan verkoopt hij het voordat het aankomt,” zei ik.

In de gang trilde mijn telefoon. Een Canadees nummer. Een bericht in het Nederlands, met Rotterdamse fouten erin.

Mevrouw Kramer. Ik heb gehoord dat u nu de baas bent. U wilt weten wat David tegen mij zei. Ik heb alles. Ook wat die advocaat zei. Vijftigduizend. Contant of crypto. Alleen u. Niet de politie. Mijn garage, Burnaby, donderdag zes uur. Anders verkoop ik het aan hem. Hij heeft al gebeld.

Ik stuurde het door naar Hendriks. Hij belde binnen een minuut.

„U gaat niet,” zei hij.

„Hij praat alleen met mij.”

„Het is een man die remleidingen doorsnijdt, mevrouw Van der Meer.”

„En hij heeft een opname waarop Van Dongen te horen is. Als ik niet ga, verkoopt hij het aan Van Dongen. Morgenavond. En dan is het weg.” Ik leunde tegen de muur van de gang. „Ik heb vanochtend zevenentwintig minuten opgenomen van een advocaat die zegt dat poging tot moord zonder poging niet bestaat. U zei zelf dat een paraaf niet genoeg is.”

Hij zweeg lang.

„Ik bel de Canadezen,” zei hij toen. „De RCMP heeft een afdeling in Burnaby. Als ze meewerken, gaat u met een microfoon en zitten zij om de hoek. Als ze niet meewerken, gaat u niet. Dat is geen advies.”

Om zes uur 's avonds belde hij terug. De RCMP werkte mee. Ze waren al een maand naar Rick Postma aan het kijken, om andere redenen. Ze waren blij met een reden om zijn garage binnen te gaan.

Ineke Postma belde om zeven uur. De zitting van vrijdag werd verschoven naar dinsdag. Ze had meer tijd nodig. Ze wilde het logboek van meneer Molenaar lezen, schreef ze. En met de verpleging in Vancouver praten.

Om acht uur stond ik in de kinderkamer met een koffer.

Lily zat rechtop in bed. Ze keek naar de koffer. Ze had drie weken geleden ook een koffer gezien, de koffer die ik naar het UMC had meegenomen, en ze wist wat koffers betekenden.

„Ga jij naar papa?” vroeg ze.

„Nee, schat. Ik ga naar Canada. Om iets op te halen. Over twee nachtjes ben ik terug. Tante Riet blijft hier.”

Ze dacht na. Toen pakte ze het konijn met de pleister op zijn oor en stak het naar me uit.

„Hij moet mee,” zei ze. „Hij was ook ziek. Hij weet hoe je beter wordt.”

Ik stopte het konijn in mijn handtas. Het paste net.

Gunther stond beneden in de gang met een sporttas. Hendriks had gezegd dat hij niet mee mocht. Gunther had gezegd dat hij in Vancouver woonde en dat niemand hem kon verbieden naar huis te gaan. Hendriks had het opgegeven.

„Vlieg je met me mee?” vroeg ik.

„Ik vlieg naar huis,” zei hij. „Als u toevallig in hetzelfde vliegtuig zit, kan ik daar niks aan doen.”

De volgende middag om 13.05 uur zaten we bij gate E7 op Schiphol. KL681 naar Vancouver. Er was die dag maar één rechtstreekse vlucht. Saskia had het me gezegd, en ik had het geweten, en ik had het toch geboekt.

Om 13.10 uur ging de rij voor business class open.

Hij kwam als laatste. Lange jas, leren weekendtas, een krant onder zijn arm. Hij liet zijn instapkaart scannen en toen draaide hij zich om, zoals mensen dat doen als ze voelen dat iemand naar ze kijkt.

Hij zag me.

Hij bleef staan. Toen glimlachte hij, liep de rij uit en kwam door de wachtruimte naar me toe.

„Clara,” zei Reinier van Dongen. „Wat een toeval. Ga jij ook naar Vancouver?”