DEEL 2
De oncoloog van Alice bleef een paar seconden zwijgen.
Nog steeds gekleed als Superman zat hij op één knie naast haar ziekenhuisbed, maar de vrolijke glimlach waarmee hij de kamer was binnengekomen, was verdwenen.
In plaats daarvan keek hij haar aan met een zachtheid die me onmiddellijk nerveus maakte.
Ik kende die blik.
Na bijna een jaar in ziekenhuizen leer je de gezichten van artsen lezen.
Je leert het verschil tussen een gewone controle en een gesprek waarvoor de deur wordt gesloten.
Je leert wanneer een verpleegkundige alleen vriendelijk glimlacht en wanneer ze probeert haar eigen emoties te verbergen.
Mijn hart begon sneller te kloppen.
Alice merkte het ook.
„Is het iets engs?” vroeg ze.
De arts schudde zijn hoofd.
„Nee, lieverd.”
„Moet ik een prik?”
Iedereen lachte zacht.
„Ook niet.”
Alice trok haar deken iets hoger.
„Dan mag je het zeggen.”
De oncoloog keek naar mij.
„We hebben gisteren de laatste resultaten binnengekregen.”
Mijn glimlach verdween.
„Welke resultaten?”
„De scans. En het aanvullende bloedonderzoek.”
Ik voelde mijn vingers koud worden.
Die onderzoeken waren eerder die week gedaan.
Er was me verteld dat we de uitslag na het weekend zouden bespreken.
Niet vandaag.
Zeker niet tijdens haar verjaardag.
Ik keek naar de artsen en verpleegkundigen rondom het bed.
Plotseling begreep ik waarom sommigen van hen tranen in hun ogen hadden.
„Dokter…” begon ik.
Hij stak geruststellend zijn hand op.
Daarna keek hij weer naar Alice.
„Weet je nog dat we je een paar maanden geleden vertelden dat de medicijnen heel hard moesten werken om de slechte cellen weg te krijgen?”
Alice knikte ernstig.
„De slechteriken.”
„Precies. De slechteriken.”
Ze wees naar zijn Supermanpak.
„En jij helpt ze verslaan.”
„Wij allemaal,” zei hij. „Maar vooral jij.”
Alice dacht daar even over na.
„Omdat ik de chemo doe?”
„Omdat jij iedere keer terugkomt. Ook wanneer je bang bent. Ook wanneer je misselijk bent. Ook wanneer je geen zin meer hebt.”
Hij slikte.
„En gisteren kregen we nieuws over die slechteriken.”
De kamer werd doodstil.
Ik durfde nauwelijks adem te halen.
Alice keek hem met grote ogen aan.
„Hebben ze gewonnen?”
De vraag brak iets in mij.
Ik draaide mijn gezicht weg en sloeg mijn hand voor mijn mond.
Maar haar oncoloog schudde meteen zijn hoofd.
„Nee.”
Hij glimlachte.
„Op dit moment kunnen we op je laatste onderzoeken geen aantoonbare ziekte meer vinden.”
Ik hoorde de woorden.
Maar mijn hoofd begreep ze niet.
Alice keek naar hem.
Toen naar mij.
Toen weer naar hem.
„Wat betekent dat?”
Mijn knieën werden slap.
De arts koos zijn woorden zorgvuldig.
„Het betekent dat je behandeling heel goed heeft gewerkt. We moeten je nog heel goed blijven controleren en je behandeling is niet zomaar vergeten of voorbij, maar vandaag hebben we heel goed nieuws.”
Ik voelde de tranen al over mijn gezicht lopen.
„Bedoelt u…”
Mijn stem brak.
Hij knikte.
„De uitslagen zijn beter dan we hadden durven hopen.”
Ik greep de rand van Alice’ bed vast.
Bijna een jaar.
Bijna een heel jaar had ik mezelf verboden te dromen van een zin als deze.
Niet omdat ik geen hoop had.
Maar omdat hoop soms te gevaarlijk voelde.
Iedere scan kon alles veranderen.
Iedere koorts kon ons terugbrengen naar de spoedeisende hulp.
Iedere blauwe plek maakte me bang.
Iedere keer dat Alice zei dat haar been pijn deed, voelde ik mijn maag samentrekken.
Ik had geleerd één dag tegelijk te leven.
Soms één uur.
Soms alleen tot de volgende bloeduitslag.
En nu stond een kamer vol superhelden naar mijn dochter te kijken terwijl haar arts me vertelde dat ze op de huidige onderzoeken geen aantoonbare ziekte konden vinden.
Alice fronste.
„Dus…”
Ze keek naar de kleine Batman die aan haar infuuspaal hing.
„Zijn de slechteriken weg?”
De oncoloog glimlachte.
„Op de onderzoeken die we nu hebben, kunnen we ze niet meer zien.”
„Allemaal?”
„We kunnen ze niet meer vinden.”
Alice keek me aan.
„Mama?”
Ik kon niet praten.
Ik knikte alleen.
„Mama, waarom huil je?”
Ik boog me over haar heen en sloeg mijn armen voorzichtig om haar kleine lichaam.
„Omdat ik zo blij ben.”
Ze begon ook te huilen.
„Maar je wist het niet?”
„Nee.”
„Echt niet?”