De eerste keer dat Pip echt huilde, dacht ik dat er iemand in het trappenhuis stond. Mevrouw Van Leeuwen was nog geen 2 uur eerder met een ambulance weggehaald. Ik stond in haar keuken met haar sleutel in mijn hand, omdat ze die op de brancard naar me had uitgestoken en alleen maar had gezegd: “Pip. Pilletje. Acht uur.” Toen schoof er vanuit de woonkamer een rood, half kapot tennisballetje tegen mijn schoen. Pip zat erachter, 13 jaar oud, kromme pootjes, grijze snuit, en keek langs mij heen naar de voordeur. Hij verwachtte duidelijk dat zij elk moment weer binnen zou komen.
Ik kende Pip vooral als het hondje dat altijd precies op het verkeerde moment in de lift stond. Ik woon 2 verdiepingen boven mevrouw Van Leeuwen in Utrecht-West. Ik ben 23, werk 4 dagen in een koffiezaak en studeer daarnaast. Meestal zeiden we alleen gedag, namen we pakketjes voor elkaar aan en droeg ik soms haar boodschappentas omhoog.
Pip kende mij beter dan ik hem. Hij wist dat ik kaas op brood meenam naar mijn werk en zat daarom standaard bij mijn deur als ik rond 7:30 naar beneden ging. Mevrouw Van Leeuwen schaamde zich daar totaal niet voor.
“Hij heeft geen manieren,” zei ze altijd. “Dat hebben we allebei opgegeven.”
Die avond had hij ineens heel veel manieren. Hij blafte niet, bedelde niet en raakte zijn brokken niet aan. Hij liep van de bank naar de voordeur, ging zitten, stond weer op en liep terug. Om 20:00 gaf ik hem het halve hartpilletje dat in een plastic doosje met de dagen van de week zat. Ik verstopte het in een stukje jonge kaas. Dat at hij wel.
Ik gooide hem 2 meter door de kamer. Pip hobbelde erachteraan, pakte hem op, kwam terug en keek voor het eerst die avond een beetje als een hond die gewoon een hond was. Ik moest lachen. Hij kwispelde zo hard dat zijn hele achterkant meedeed. 5 minuten later lag hij op mijn sokken alsof we elkaar al jaren kenden.
De volgende ochtend belde haar dochter Anouk vanuit de trein uit Groningen. Haar moeder had een beroerte gehad. Ze was buiten levensgevaar, maar niemand wist wanneer ze naar huis kon.
“Kun jij Pip vandaag nog houden?” vroeg ze. “Alleen vandaag. Ik regel iets.”
Ik zei natuurlijk ja. Eén dag met een oude hond leek me makkelijker dan mijn normale dinsdag.
Pip bleek daar anders over te denken.
Hij weigerde mee naar mijn appartement totdat ik zijn mand, een deken, 2 speeltjes en een oude blauwe pantoffel van mevrouw Van Leeuwen meenam. Die pantoffel sleepte hij zelf de gang door. In de lift ging hij erop zitten alsof ik hem anders zou stelen.
Bij mij thuis inspecteerde hij alles, dronk uit een kom die eigenlijk voor pasta was bedoeld en besloot daarna dat mijn bank van hem was. Hij snurkte met zijn neus tegen een kussen en liet een piepklein scheetje. Ik stuurde Anouk een foto. Voor het eerst die dag kreeg ik een bericht terug met iets anders dan ziekenhuisinformatie: “Mam zegt altijd dat hij alleen scheten laat bij mensen die hij vertrouwt.”
Ik heb 10 minuten zitten lachen om een hondenscheet terwijl beneden iemand misschien opnieuw moest leren praten. Het voelde vreemd en toch ook fijn.
De ene dag werden er 3. Anouk had 2 kinderen, een man met nachtdiensten en een kat die volgens haar “honden haat op religieus niveau”. Een pension wilde Pip niet zonder recente vaccinatiepapieren en bij een opvang kwam hij op een wachtlijst.
Dus Pip bleef bij mij.
Elke middag rond 16:30 ging hij voor mijn voordeur liggen. Niet ervoor in de gang, echt met zijn neus tegen de kier. Als de lift stopte, kwam hij overeind. Als er voetstappen kwamen, kwispelde hij. Als het iemand anders was, liep hij terug naar zijn mand.
Op dag 4 legde ik de blauwe pantoffel naast hem. Hij legde zijn kin erop.
Toen belde Anouk opnieuw. Haar moeder zou waarschijnlijk weken naar een revalidatiecentrum moeten. Ze sprak moeilijk en haar rechterarm deed bijna niets. Toen Anouk naar Pip vroeg, had ze maar 1 woord duidelijk gezegd.
“Thuis.”
Anouk begon te huilen aan de telefoon. Ik ook. Pip zat ondertussen een kartonnen koffiebeker uit mijn tas te likken omdat er nog melkschuim in zat.
Die middag ging ik met hem naar de dierenarts voor zijn medicijnen. De assistente vond zijn groene tuigje te ruim. Ze trok het strakker, maar zei dat ik beter een nieuw kon halen: oude honden kunnen verrassend goed achteruit uit zo’n tuig lopen als ze schrikken.
Ik knikte en dacht: morgen.
De volgende avond regende het hard. Pip wilde toch naar buiten. Halverwege onze ronde hoorde hij een sirene. Niet eens vlakbij, gewoon ergens richting de Vleutenseweg.
Hij stond stil.
Daarna trok hij ineens naar voren, draaide zich om en begon achteruit te spartelen. Ik voelde het tuig in mijn hand lichter worden.
“Pip, wacht.”
Hij schoot eruit.
Ik rende achter hem aan. Hij was oud, maar blijkbaar alleen wanneer het hem uitkwam. Bij de kruising kwam een bus tussen ons in. Ik hoorde iemand remmen, een fietser vloekte, ik riep zijn naam zo hard dat mijn keel pijn deed.
Toen de bus weg was, zag ik Pip nergens meer.
Midden op het natte fietspad lag alleen zijn groene tuigje.
Vervolg op de volgende pagina
DEEL TWEE
Ik heb nog nooit zo snel gerend. Niet omdat ik dacht dat ik hem kon inhalen; ik had geen idee welke kant hij op was. Ik rende omdat stilstaan onmogelijk voelde.
Een jongen op een elektrische fiets stopte naast me en vroeg of ik een klein hondje zocht. Hij wees richting de Kanaalstraat. “Grijs, laag bij de grond? Hij rende daarheen. Bijna onder mijn wiel.” Ik bedankte hem niet eens fatsoenlijk. Ik rende alweer.
Op de Kanaalstraat kende blijkbaar binnen 10 minuten iedereen Pip. De man van de Turkse bakkerij had een bezemsteel tegen de deur gezet zodat hij openbleef en riep naar klanten dat ze moesten kijken of er een klein hondje binnenkwam. Twee meisjes van een middelbare school liepen met hun telefoons langs geparkeerde auto’s en maakten piepgeluiden omdat iemand had gezegd dat Pip daarop reageerde. Een vrouw die ik nog nooit had gezien, gaf me haar paraplu omdat ik mijn jas open had en stond te rillen.
Ik wilde zeggen dat het maar een hond van mijn buurvrouw was. Dat klonk ineens zo stom dat ik mijn mond hield.
Na een halfuur belde Anouk. Ik had haar een bericht gestuurd voordat ik ging rennen. Ze nam op met “Heb je hem?” en toen ik nee zei, bleef het stil.
Daarna zei ze: “Niet alleen zoeken. Bel de dierenambulance.”
Dat deed ik. Ik zette een foto van Pip in de buurtgroep, in 2 verloren-dierenpagina’s en in de groepsapp van onze flat. Jan van 1 hoog, die al 3 jaar klaagde dat Pip in de lift tegen zijn schoenen snuffelde, schreef als eerste: “Ik ga richting Majellapark.”