Mevrouw El Amrani van 5 hoog schreef: “Ik neem de andere kant.”
De beheerder zette de camerabeelden van de ingang klaar. De jongen van de fiets stuurde een vriend langs het spoor. Iemand die ik alleen kende als ‘vrouw met labradoodle’ nam haar hond mee omdat “die andere honden altijd vindt”.
Ik bleef roepen tot mijn stem schor werd.
Na ongeveer 50 minuten vond ik de eerste plek waar Pip zeker geweest was. Voor een snackbar lag een omgevallen bakje friet. De eigenaar stond buiten en zei dat er een klein hondje een paar frieten had gepakt en daarna was doorgelopen.
“Hij keek niet eens blij,” zei hij. “Hij at alsof hij haast had.”
Dat vond ik erger dan wanneer hij helemaal niets had gegeten.
De regen werd harder. Ik dacht aan zijn hartpilletje. Aan zijn grijze snuit. Aan de dierenarts die letterlijk die middag had gezegd dat oude honden zich uit slechte tuigjes kunnen trekken. Ik voelde me zo ontzettend dom dat ik bijna boos werd op Pip. Alsof hij mij expres de kans had gegeven om precies de fout te maken waarvoor ik gewaarschuwd was.
Bij het park kwam Jan me tegemoet. Hij was 67 en droeg een felgele regenjas. Ik had hem nog nooit zien rennen, maar hij ademde alsof hij dat net wel had gedaan.
“Geen hond,” zei hij. “Wel pootjes in de modder. Kan ook van een kat zijn. Of een andere hond. Ik weet het niet.”
We liepen verder. Jan vertelde dat mevrouw Van Leeuwen vroeger elke ochtend met Pip naar een bankje aan de andere kant van het park liep. In de winter ook. “Ze zat daar 10 minuten en dan gingen ze weer terug. Geen idee waarom. Misschien gewoon omdat oude mensen routines verzamelen.”
Ik wist dat niet. Ik woonde 3 jaar in hetzelfde gebouw en wist het niet.
We gingen naar dat bankje.
Pip was er niet.
Onder het bankje lag wel een rood stukje rubber. Eerst dacht ik dat het afval was. Toen bukte ik en zag ik tandafdrukken.
Het was een stukje van zijn tennisbal.
Ik had de bal die ochtend in mijn jaszak gestopt omdat Pip hem tijdens het wandelen soms zelf droeg. Toen ik hem terugbracht naar mijn appartement, had ik hem op de kast gelegd. Tenminste, dat dacht ik. Blijkbaar had hij hem ergens onderweg uit mijn zak gekregen, of misschien eerder al meegenomen. Ik weet het nog steeds niet.
Jan keek naar het stukje rubber en zei: “Dan is hij hier geweest.”
Dat was het eerste goede nieuws sinds het tuigje op het fietspad. Het was ook meteen slecht nieuws, want het betekende dat hij inmiddels alweer ergens anders kon zijn.
De dierenambulance kwam met 2 vrijwilligers. Eén van hen heette Saskia. Ze vroeg heel rustig hoe oud Pip was, welke medicijnen hij gebruikte, of hij beet als hij bang was en waar hij normaal liep. Ik ratelde alles door elkaar. Saskia schreef alleen de nuttige dingen op.
“Hij zoekt waarschijnlijk iets bekends,” zei ze. “Niet per se iemand. Een plek, geur, route. We gaan niet achter elke melding aan rennen. We bouwen een kring.”
Dat woord hielp. Kring. Alsof we hem niet in een hele stad kwijt waren, maar alleen ergens binnen iets dat kleiner gemaakt kon worden.
Om 21:15 waren er 17 mensen aan het zoeken. Dat weet ik omdat iemand in de groepsapp vroeg hoeveel zaklampen er nog waren en Jan begon te tellen. Er waren mensen bij die mevrouw Van Leeuwen nauwelijks kenden. Een jongen van de avondwinkel bracht plastic poncho’s. De bakker gaf een zak met stukjes kip mee “voor geur”. Een vrouw die haar auto langs de weg had gezet omdat ze een Facebookbericht zag, reed langzaam door zijstraten met haar ramen open.
En toen kwam er een melding die nergens op sloeg.
Een buschauffeur had een klein grijs hondje gezien bij een halte richting centrum. Het dier was ingestapt toen de deuren opengingen, een stukje door de bus gelopen en daarna weer uitgestapt toen mensen probeerden hem te pakken. De chauffeur had de foto in de buurtgroep gezien toen hij pauze had.
De halte lag bijna 2 kilometer van het park.
“Dat haalt hij toch nooit zo snel?” zei ik.
Jan keek me aan. “Je zag hem net rennen.”
We gingen die kant op.
De volgende 40 minuten kwam er niets. Ik begon serieus te denken dat Pip ergens onder een auto lag waar niemand hem kon zien. Anouk belde opnieuw en vroeg of ze vanuit Groningen moest komen. Ik zei nee, want ik wilde haar niet 2 uur laten rijden om samen met mij niets te vinden. Ze kwam toch.
Om 22:30 stond ze opeens naast de dierenambulance met nat haar, een veel te dunne jas en 2 verschillende sokken in haar schoenen. Ze had zo snel de kinderen bij haar schoonzus gebracht dat ze niet eens had gekeken wat ze aantrok.
Ik had haar nog nooit ontmoet.
Ze sloeg haar armen om me heen alsof we elkaar kenden.
“Mijn moeder gaat me vermoorden,” zei ze tegen mijn schouder.
Ik begon te lachen en huilen tegelijk. “Mij eerst.”
Dat was het moment waarop Saskia van de dierenambulance haar telefoon tegen haar oor hield en haar hand opstak.
Iedereen werd stil.
Een medewerker van een wasserette 3 straten verder had achter het gebouw gekrab gehoord. Niet hard. Gewoon af en toe.
We gingen met 6 mensen die kant op. Saskia stuurde de rest weg van het steegje, omdat te veel stemmen een bang dier verder konden jagen.
Achter de wasserette stond een rij containers en een laag schuurtje voor fietsen. Tussen de muur en het schuurtje zat een ruimte waar ik nooit vrijwillig in zou kruipen. Saskia scheen met haar lamp naar binnen.
Eerst zag ik niets.
Toen 2 ogen.
Pip zat helemaal achterin. Zijn vacht was doorweekt en zijn oren lagen plat. Toen ik zijn naam zei, bewoog hij niet.
Ik ging op mijn knieën in het water.
“Pip.”
Zijn staart tikte 1 keer tegen de muur.
Anouk maakte een geluid dat ik nog steeds niet goed kan omschrijven. Half snik, half lach.
Saskia liet mij niet meteen naar hem toe kruipen. Ze gooide eerst kleine stukjes kip dichterbij. Pip at het eerste stukje niet. Het tweede ook niet. Bij het derde kwam zijn neus omhoog.
Na 5 minuten schoof hij een stukje naar voren.
Toen nog een stukje.
Ik weet dat dit overdreven klinkt, maar ik heb nog nooit zo hard naar 20 centimeter hond gekeken.
Toen hij eindelijk dichtbij genoeg was, kroop Saskia rustig naar hem toe en sloeg een handdoek om hem heen. Pip protesteerde met een piepklein grommetje. Iedereen begon te lachen. De bakker, die blijkbaar toch was meegelopen, zei: “Kijk, hij heeft weer praatjes.”
Bij de dierenarts bleek hij onderkoeld, uitgeput en met een paar schaafplekken aan zijn poten, maar hij had niets gebroken. Zijn hartslag was onrustig, dus hij moest die nacht blijven.
Dat was de eerste keer dat ik hem achterliet terwijl hij niet zelf naar de deur wilde.
Ik bleef 20 minuten in de wachtruimte zitten nadat ze hem hadden meegenomen. Anouk zat naast me. Zij betaalde de rekening zonder discussie. Toen ik zei dat ik een deel wilde betalen omdat hij door mijn tuigje was ontsnapt, werd ze boos.