“Je hebt mijn moeders hond 5 dagen verzorgd terwijl je haar nauwelijks kent,” zei ze. “Hou op.”
De volgende ochtend was Pip alweer beledigd genoeg om zijn ontbijt te eisen. De dierenarts stuurde een foto waarop hij in een deken zat met precies dezelfde chagrijnige blik als mevrouw Van Leeuwen wanneer de lift te lang duurde.
Anouk stuurde die foto naar haar moeder.
Een verpleegkundige hielp haar met videobellen. Mevrouw Van Leeuwen kon nog steeds moeilijk praten, maar toen Pip in beeld kwam, begon ze met haar linkerhand tegen het scherm te tikken. Pip hoorde haar stem en schoot zo snel overeind dat hij bijna zijn infuus eruit trok.
Hij piepte.
Zij piepte terug.
Geen van ons kon daarna nog normaal doen.
Het probleem was alleen nog steeds hetzelfde: mevrouw Van Leeuwen kon voorlopig niet naar huis en Pip kon niet wekenlang in de kliniek blijven. Anouk kon hem niet meenemen. Ik wilde hem houden, maar mijn huurcontract stond officieel geen huisdieren toe. Bovendien werkte ik vroege diensten en zat ik 2 avonden per week op school.
Ik dacht dat we na alles alsnog bij een opvang zouden eindigen.
Toen begon de groepsapp opnieuw.
Jan schreef: “Hij kan bij mij slapen. Overdag ben ik thuis.”
Mevrouw El Amrani: “Ik kan middagwandeling doen op dinsdag en donderdag.”
De vrouw met de labradoodle: “Ik kan woensdag.”
De bakker: “Geen wandeling. Wel kip.”
De beheerder schreef dat hij “niets gezien had” toen iemand vroeg of tijdelijke honden officieel mochten.
Binnen een uur hadden 9 mensen een schema gemaakt voor een hond die de helft van hen een week eerder alleen kende als dat grijze ding uit de lift.
Jan werd uiteindelijk zijn tijdelijke hoofdadres. Hij had het grootste bezwaar.
“Alleen tot zij terug is,” zei hij 4 keer.
Diezelfde middag kocht hij een orthopedisch hondenkussen van €69 en stuurde een foto met de tekst: “Was in de aanbieding.”
Pip lag er niet op. Hij lag ernaast op Jans pantoffels.
2 weken later belde Anouk met nieuws dat beter was dan alles wat we tot dan toe durfden hopen. Haar moeder kon steeds meer woorden zeggen. Ze liep kleine stukjes met hulp. Het revalidatiecentrum had een binnentuin en stond hondenbezoek toe als het vooraf werd afgesproken.
Op vrijdag reden we met Pip naar haar toe. Jan reed, omdat hij vond dat mijn oude fietsmand “levensgevaarlijk amateurwerk” was. Anouk zat achterin met Pip op een deken. Ik zat voorin en deed alsof ik niet zenuwachtig was.
Mevrouw Van Leeuwen zat in een rolstoel in de tuin. Ik had haar sinds de ambulance niet gezien. Ze leek kleiner. Haar haar zat anders. Haar rechterhand lag stil op haar schoot.
Pip zag haar niet meteen.
Hij snuffelde aan een plant, trok naar een prullenbak en keek naar een verpleegkundige met een boterham.
Toen zei mevrouw Van Leeuwen zijn naam.
Niet hard. Een beetje scheef.
“Pip.”
Hij bevroor.
Daarna draaide hij zich om.
Wat er toen gebeurde was helemaal niet filmisch. Hij rende niet perfect in een rechte lijn en sprong niet in haar armen. Hij was 13 en zijn poten deden pijn. Hij hobbelde zo snel hij kon, gleed bijna uit op de tegels en botste met zijn neus tegen de voetsteun van de rolstoel.
Mevrouw Van Leeuwen begon te huilen voordat hij haar bereikt had.
Pip zette zijn voorpoten tegen haar knie. Zij kon hem met 1 hand niet goed optillen, dus Jan hielp. Pip kroop half op haar schoot, draaide 3 rondjes alsof het zijn eigen mand was en legde daarna zijn kop onder haar kin.
Ze zei iets wat ik niet verstond.
Anouk wel.
“Ze zegt: sukkel.”
Dat was blijkbaar hun liefste woord voor elkaar.
We bleven 25 minuten. Langer mocht niet omdat mevrouw Van Leeuwen snel moe werd. Toen we Pip weer meenamen, keek hij 3 keer achterom. Zij zwaaide met haar linkerhand.
Op weg naar huis zei niemand veel.
Sindsdien gaat Pip elke vrijdag op bezoek. Niet altijd met dezelfde persoon. Soms rijdt Jan. Soms Anouk. 1 keer heeft de man van de bakkerij hem gebracht omdat hij toch die kant op moest. Saskia van de dierenambulance is ook een keer mee geweest, puur omdat ze wilde zien hoe “haar ontsnappingskoning” het deed.
Mevrouw Van Leeuwen woont nog steeds in de revalidatie. Niemand weet zeker of ze straks terug kan naar haar oude flat. Als dat niet kan, zoekt Anouk naar een plek waar Pip uiteindelijk misschien mee mag. Tot die tijd woont hij bij Jan en heeft hij in ons gebouw eigenlijk meer personeel dan de meeste koningen.
Ik loop nog steeds vaak met hem. Hij heeft een nieuw tuigje waar hij onmogelijk achteruit uit kan. Het rode tennisballetje hebben we vervangen door 3 nieuwe, maar hij wil alleen het kapotte oude ding. Jan heeft het met tape geplakt, wat volgens de dierenarts nergens op slaat en volgens Jan “prima techniek” is.
Vorige week zat ik bij mevrouw Van Leeuwen in de tuin terwijl Pip onder haar stoel sliep. Ze praat langzaam, maar veel beter dan eerst. Ze wees naar mij, toen naar Pip, toen naar Jan, die verderop koffie haalde.
“Veel mensen,” zei ze.
Ik dacht dat ze bedoelde dat het druk was.
Anouk schudde haar hoofd.
“Ze zegt dat Pip veel mensen heeft.”
Dat klopt eigenlijk. Hij heeft Anouk. Jan. De bakker. De vrouw met de labradoodle. De beheerder die zogenaamd niets ziet. De schoolmeisjes die nog steeds vragen hoe het met hem gaat. Saskia van de dierenambulance. En blijkbaar ook mij.
Ik had 3 weken eerder nog gedacht dat ik gewoon 1 avond op het hondje van de buurvrouw paste.
Gisteren stuurde Jan om 06:48 een foto in de groepsapp. Pip lag languit op zijn nieuwe hondenkussen, met de blauwe pantoffel van mevrouw Van Leeuwen onder zijn kop. Ernaast stond een bakje met een half pilletje verstopt in kaas.
Er stonden 11 hartjes onder voordat ik wakker was.
• • •
Dank je dat je dit verhaal hebt gelezen. Als je het mooi vond, laat dan een reactie achter en geef de Facebook-pagina een like – daarmee steun je de auteur enorm