‘Als je haar voor dat kleine drama naar de spoedeisende hulp brengt, betaal ik geen cent.’
Maarten zei het terwijl hij een boterham smeerde. Het mes schraapte over de korst. Aan de andere kant van de keukentafel lag Noor met haar wang op haar armen. Ze had sinds donderdag bijna niets binnengehouden.
Ik keek naar de klok boven de koelkast. Zondag, kwart over negen. Buiten tikte regen tegen het keukenraam. Noor was zestien en normaal gesproken luid genoeg voor twee. Nu ademde ze door haar mond, alsof zelfs haar neus te veel moeite kostte.
‘Ze heeft al drie dagen buikpijn,’ zei ik.
‘Ze heeft ook al drie dagen haar telefoon.’ Maarten legde het mes neer. ‘Als ze echt ziek was, zou ze niet steeds appen.’
Noor deed haar ogen open. Haar gezicht was bleek; onder haar linkeroog zat een grauwe schaduw. ‘Mam, ik wil naar de huisarts.’
‘Die is vandaag dicht,’ zei Maarten. ‘Maandag kan ze bellen.’
‘Ze kan geen water binnenhouden.’
‘Dan moet ze kleine slokjes nemen.’
Hij zei het alsof hij een probleem met de vaatwasser oploste. Maarten was vierenveertig, werkte als zelfstandig aannemer en had een antwoord klaar voor alles wat geld, tijd of gedoe kostte. Ik had lang gedacht dat die nuchterheid ons gezin bij elkaar hield. De laatste jaren merkte ik vooral hoe vaak ik mezelf hoorde zeggen: hij bedoelt het niet zo.
Noor probeerde rechtop te zitten. Haar hand schoot naar haar buik. Ze kneep haar lippen op elkaar en zakte terug.
Ik schoof mijn stoel achteruit.
‘Wat doe je?’ vroeg Maarten.
‘Ik breng haar naar de huisartsenpost.’
‘Sanne.’
‘Ze is ziek.’
‘Ze heeft waarschijnlijk een buikgriepje. Je maakt haar bang door nu meteen naar het ziekenhuis te rennen.’
Noor keek van hem naar mij. Toen zag ik wat me tegenhield: niet haar pijn, maar de blik waarmee Maarten wachtte tot ik hem gelijk gaf.
Ik pakte haar jas van de kapstok. ‘Schoenen aan.’
Maarten haalde zijn telefoon tevoorschijn. ‘Prima. Maar reken niet op mij als de rekening komt.’
‘Er komt geen rekening zoals jij denkt,’ zei ik. Zelfs terwijl ik het zei, voelde ik mijn wangen warm worden. Ik wist niet zeker of het waar was.
Noor stond langzaam op. Bij de voordeur greep ze de muur vast. Maarten keek niet op van zijn scherm.
In de auto hield ze een plastic zak op haar schoot. Om de paar minuten vroeg ik of ze wilde dat ik stopte. Ze schudde steeds haar hoofd, haar ogen gericht op de stoeptegels die achter het raam voorbijgleden.
‘Was het gisteren ook zo erg?’ vroeg ik.
‘Erger.’
‘Waarom zei je dat niet?’
Ze keek naar haar handen. ‘Dat heb ik wel gedaan.’
Ik zocht naar een antwoord dat niet meteen een verdediging was. ‘Tegen mij?’
‘Tegen papa.’
Mijn vingers klemden zich om het stuur. ‘Wat bedoel je?’
‘Niets.’ Ze draaide haar hoofd naar het raam. ‘Laat maar.’
Bij de huisartsenpost werd Noor zonder veel vragen doorgestuurd naar de spoedeisende hulp. Een verpleegkundige mat haar bloeddruk en temperatuur en vroeg waar de pijn zat. Noor wees naar haar onderbuik, maar toen de verpleegkundige voorzichtig haar buik betastte, trok ze samen en sloeg haar hand weg.
‘Rustig maar,’ zei de verpleegkundige. ‘Ik raak je niet aan zonder het te zeggen.’
Noor knikte, maar haar ademhaling bleef hoog en kort.
De arts, een vrouw met een donkerblauwe hoofddoek en een naamkaartje waarop ‘Van Dijk’ stond, stelde vragen terwijl een verpleegkundige bloed afnam. Wanneer was de pijn begonnen? Was Noor gevallen? Had ze iets ingenomen? Was er bloedverlies?
‘Ik ben niet gevallen,’ zei Noor.
Dr. Van Dijk keek even op. ‘Heb je ergens een harde klap gehad?’
Noor keek naar mij. Haar mond ging open, maar er kwam niets uit.
Ik dacht aan de blauwe plek op haar zij. Die had ik vrijdag gezien toen ze haar pyjama aantrok. Ze had gezegd dat ze tegen de rand van haar bureau was gelopen. Ik had gevraagd of het pijn deed. Ze had nee gezegd.
‘Er zat een blauwe plek,’ zei ik. ‘Ze zei dat ze zich aan haar bureau had gestoten.’
De arts noteerde iets. ‘Ik wil een echo en waarschijnlijk een scan. Haar bloeddruk is laag en haar buik is erg gevoelig.’
Mijn telefoon trilde. Maarten.
‘Hoe erg?’ vroeg hij toen ik opnam.
‘Ze wordt onderzocht.’
‘Wat zei ik nou? Je maakt het groter dan het is.’
‘Ze heeft pijn.’
‘Iedereen heeft weleens buikpijn.’
Achter hem hoorde ik de televisie. Er klonk gelach uit een studiopubliek.
‘Ze kan niet eens rechtop zitten,’ zei ik.
‘En dus moet jij nu niet gaan panikeren. Ik kom straks wel.’
‘Je hoeft niet te komen.’
Hij zweeg even. ‘Sanne, doe normaal. Ik probeer het juist rustig te houden.’
Toen verbrak hij de verbinding.
De scan liet vrij snel zien dat het geen buikgriep was. Noor had een scheur in haar milt en bloed in haar buikholte. De arts legde uit dat dit door een harde klap kon komen en dat de bloeding erger was geworden. Noor moest worden opgenomen; een chirurg kwam erbij. Als haar bloeddruk verder daalde, zou een operatie nodig zijn.
Ik hoorde de woorden, maar mijn blik bleef hangen op het witte pleisterverband op Noors arm, waar het infuus onder verdween.
‘Hoe kan dit?’ vroeg ik.
‘Dat gaan we uitzoeken,’ zei dr. Van Dijk. Ze keek naar Noor. ‘Je hoeft het niet voor iedereen in deze kamer te vertellen. We kunnen ook even apart praten.’
‘Nee,’ zei Noor.
Haar stem klonk dun. Ze hield mijn mouw vast.
‘Mam, blijf.’
Ik ging naast haar op het bed zitten. ‘Ik ben hier.’
Toen ging de deur open. Maarten stapte binnen, nog in zijn werkbroek, met regendruppels op zijn jas. Hij keek eerst naar mij en daarna naar de monitor.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg hij.