‘Een scheur in haar milt,’ zei ik. ‘Ze heeft inwendige bloedingen.’
Maarten kneep zijn ogen samen. ‘Dat kan niet.’
Dr. Van Dijk bleef kalm. ‘Het beeld past bij een klap op de buik. We willen graag weten wanneer dat gebeurd kan zijn.’
‘Ze is niet gevallen,’ zei Maarten snel.
Niemand had hem dat gevraagd.
Noor trok mijn mouw harder vast. Haar ogen schoten naar hem. Toen kwam ze overeind, kromde zich van de pijn en schreeuwde:
‘Hij weet waarom het pijn doet.’
Mijn hand bleef op Noors schouder liggen. Ik keek naar Maarten. Hij was bleker dan zij.
‘Noor,’ zei hij. ‘Niet nu.’
Dat was het moment waarop ik begreep dat zijn angst ouder was dan de diagnose.
De verpleegkundige kwam dichterbij. Dr. Van Dijk vroeg Maarten vriendelijk de kamer te verlaten, zodat ze Noor kon onderzoeken. Hij verzette zich niet. Dat verbaasde me meer dan wanneer hij had geschreeuwd.
In de gang vroeg hij me wat Noor tegen de arts had gezegd.
‘Dat jij weet wat er is gebeurd.’
‘Ik weet dat ze zich heeft gestoten.’
‘Je zei net dat ze niet gevallen was.’
Hij wreef met zijn duim over een donkere vlek op zijn broek. ‘Ik heb haar tegengehouden toen ze uitgleed.’
‘Wanneer?’
‘Donderdag.’
Drie dagen eerder. De dag dat Noor voor het eerst had overgegeven.
Hij vertelde het alsof hij me een kapotte tegel aanwees. Noor was in de garage geweest, zei hij, toen hij iets op zijn werkbank wilde pakken. Ze had een krat met gereedschap omgestoten. Hij had zijn hand naar haar uitgestoken; zij was tegen de werkbank gevallen. Een ongeluk. Niets bijzonders. Ze was daarna naar boven gegaan, had gedoucht en later geklaagd over buikpijn.
‘Waarom heb je dat niet verteld?’ vroeg ik.
‘Omdat het niet belangrijk was. Ze zei dat het wel ging.’
‘En toen werd ze ziek.’
‘Ik dacht dat ze iets verkeerds had gegeten.’
‘Je hoorde haar overgeven.’
‘Ik kan toch niet bij elke buikpijn de ambulance bellen?’
‘Ik vroeg niet om een ambulance. Ik vroeg waarom je haar vandaag niet wilde laten nakijken.’
Maarten keek langs me heen, naar de gesloten kamerdeur. ‘Omdat ik wist dat dit gedoe zou worden.’
‘Gedoe?’
‘Onderzoeken. Vragen. Mensen die doen alsof alles meteen verdacht is.’
Achter de deur piepte de monitor in een gelijkmatig ritme. Mijn mond werd droog. ‘Wat heb je niet verteld?’
Hij vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ze is gevallen. Punt.’
Ik wilde hem geloven. Ik wilde vooral dat de medische fout een medische fout bleef, omdat dat minder betekende voor alles wat ik over mijn huwelijk moest weten. Maar de manier waarop hij had gezegd dat Noor niet gevallen was, bleef in mijn hoofd hangen.
De chirurg kwam naar buiten en zei dat Noor voorlopig stabiel was. Ze zou nauwlettend worden bewaakt; bij tekenen van verdere bloeding zouden ze opereren. Daarna vroeg hij of er thuis veilig voor haar kon worden gezorgd zodra ze uit het ziekenhuis mocht.
Maarten antwoordde voordat ik iets kon zeggen. ‘Natuurlijk.’
Ik keek naar hem. ‘Laat ons eerst met haar praten.’
Hij trok zijn mond strak. ‘Je gaat toch niet van een ongeluk een misdrijf maken?’
‘Ik weet nog niet wat het was.’
‘Je weet precies wat het was. Een ongeluk.’
Zijn telefoon ging. Hij keek naar het scherm en drukte het gesprek weg.
Toen de arts Noor alleen sprak, bleef ik met Maarten in de gang. Hij liep heen en weer tussen de automaat en de branddeur. Elke keer dat zijn telefoon trilde, keek hij ernaar. Op een gegeven moment verscheen een bericht op het scherm. Ik zag alleen de eerste regel: Heb je het haar al verteld?
Maarten draaide zijn telefoon om.
‘Wie was dat?’
‘Een klant.’
‘Een klant vraagt of je het haar hebt verteld?’
Hij blies lucht uit door zijn neus. ‘Dit is niet het moment.’
‘Dat bepaal jij niet.’
Hij keek me aan. In de stilte die volgde, hoorde ik een karretje over de vloer rijden.
Dr. Van Dijk kwam terug. Ze vroeg of Maarten met haar wilde meelopen naar een aparte spreekkamer. Hij keek naar mij, alsof ik de arts moest vertellen dat dit niet nodig was.
‘Ga maar,’ zei ik.
Hij volgde haar. De deur viel dicht.
Noor was wakker toen ik terugkwam. Ze had haar hoofd opzij gedraaid en keek naar het plastic slangetje van het infuus.
‘Wil je me vertellen wat er is gebeurd?’ vroeg ik.
Ze schudde haar hoofd.
‘Je hoeft niet alles tegelijk te zeggen.’
‘Hij zei dat jij hem toch zou geloven.’
Er trok iets samen onder mijn ribben. ‘Waarom zei hij dat?’
Noor knipperde een paar keer. ‘Omdat ik donderdag naar hem toe ging.’
‘In de garage?’