‘Voor mijn huis.’
‘Bel direct 112. Ik bel de politie en zorg dat iemand mijn kantoor opent. Blijf uit de buurt van je vader.’
Henk hoorde haar stem door de telefoon. Zijn blik veranderde. Niet veel. Alleen de kleine verschuiving die ik al sinds mijn jeugd kende: van bezorgd naar berekenend.
‘Wie is dat?’ vroeg hij.
‘Niet jouw zaak.’
Ik belde 112. De centralist liet me op de stoep zitten en vroeg of ik bloed verloor, hoe ver ik zwanger was en of de baby bewoog. Ik antwoordde zo precies als ik kon. Fleur trok haar jas aan en liep naar de auto. Henk bleef bij de deur staan.
‘Je hoeft dit niet groter te maken,’ zei hij.
‘Ik maak niets groter.’
‘Ik wilde je alleen helpen.’
De sirene klonk nog niet, maar ik hoorde de ambulance al in de straat. De buurvrouw aan de overkant stond achter haar raam met haar telefoon in haar hand. Henk zag haar ook. Hij deed een stap naar mij toe.
Ik hield de telefoon tussen ons in.
‘Blijf staan,’ zei ik.
Hij bleef staan.
In het ziekenhuis bleek dat de weeën waren begonnen, maar de baby had geen zuurstoftekort. De artsen wilden me ter observatie houden. Ik had een schaafwond op mijn knie en een rode striem bij mijn slaap waar mijn haar was uitgetrokken. Een verpleegkundige maakte foto’s en vroeg of ik aangifte wilde doen.
‘Ja,’ zei ik.
Henk belde me die avond zes keer. Fleur stuurde een bericht: Je vader was bezorgd. Dit had ook rustig gekund.
Ik maakte een screenshot en gaf de telefoon aan de verpleegkundige.
De volgende ochtend kwam notaris Van Loon langs. Ze was begin zestig, droeg een donkerblauwe jas en had een dunne leren map bij zich. Ze vroeg of ik sterk genoeg was om te praten.
‘Ik kan luisteren.’
‘Dan houd ik het kort,’ zei ze. ‘Lucas heeft mij gevraagd contact met u op te nemen als uw vader zich met de woning of de nalatenschap zou bemoeien.’
Ik keek naar de map. ‘Waarom zou hij dat verwachten?’
‘Omdat hij uw vader kende.’
Van Loon haalde een kopie van het testament tevoorschijn. Lucas had mij tot enig erfgenaam benoemd, met een geldvordering voor ons kind zodra het geboren was. De woning stond op naam van ons beiden. Mijn aandeel bleef van mij; Lucas’ aandeel viel in zijn nalatenschap. Volgens zijn testament ging dat naar mij, onder voorbehoud van de wettelijke aanspraken van ons kind.
‘Uw vader heeft geen recht op het huis,’ zei ze. ‘Hij kan u ook niet dwingen tijdelijk te vertrekken. En hij heeft geen volmacht.’
‘Hij zei dat er papieren waren.’
Van Loon keek me aan. ‘Welke papieren?’
‘Hij zei niet welke.’
Ze sloeg de map dicht. ‘Lucas heeft mij twee maanden geleden gevraagd extra alert te zijn op een document dat mogelijk zou opduiken. Hij wilde niet dat ik u daarmee onnodig ongerust maakte.’
‘Wat voor document?’
‘Een schuldbekentenis. Een lening aan uw vader. Volgens Lucas was die lening nooit verstrekt.’
Ik voelde mijn vingers zich om het deken sluiten. ‘Heeft mijn vader iets van hem gekregen?’
‘Dat moeten we zorgvuldig uitzoeken. Lucas liet een overzicht achter van betalingen aan het bedrijf van uw vader. Het ging om € 38.400, verspreid over vier jaar. In de omschrijvingen stond telkens “voorschot” of “materiaal”.’
‘Lucas betaalde zijn leveranciers toch altijd rechtstreeks?’
‘Precies.’
Van Loon haalde een tweede envelop uit de tas. ‘Hij heeft mij gevraagd deze pas aan u te geven als uw vader u onder druk zou zetten of als er een poging werd gedaan om uw woning te verkopen of te bezwaren.’
Op de voorkant stond mijn naam, in Lucas’ handschrift.
Ik herkende de ronde lus in de M. Ik had die laatste maanden zo vaak naar zijn handschrift gekeken dat ik het overal herkende: op boodschappenlijstjes, kaartjes van de huisarts, de achterkant van enveloppen.
Ik opende de envelop niet meteen.
‘Hij wist dat dit zou gebeuren?’
‘Hij vermoedde dat uw vader iets zou proberen. Dat is niet hetzelfde.’
Die avond las ik de brief in het ziekenhuisbed, terwijl buiten de gang een karretje piepend voorbijreed.
Liefste Mara, schreef Lucas. Als je dit leest, is er iets gebeurd waardoor ik liever ongelijk had gehad. Henk vroeg me niet alleen om geld. Hij vroeg me om documenten te ondertekenen waarmee hij mijn bedrijf kon gebruiken als zekerheid voor zijn eigen schulden. Ik heb geweigerd. Daarna vroeg hij jou om me te overtuigen.
Ik moest de brief even neerleggen. Ik herinnerde me dat gesprek. Henk had me gebeld terwijl Lucas in het ziekenhuis lag voor een behandeling. Hij had gezegd dat Lucas koppig was en dat zijn bedrijf alleen even een handtekening nodig had. Ik had hem beloofd dat ik met Lucas zou praten, maar ik had het nooit gedaan. Een paar dagen later had ik het gesprek vergeten.
Ik heb de betalingen laten controleren, schreef Lucas verder. Een deel ervan is nooit bij leveranciers terechtgekomen. De accountant denkt dat Henk geld heeft opgenomen van zijn eigen bedrijf en onze betalingen heeft gebruikt om gaten te dichten. Ik wil geen aangifte doen zolang ik niet weet hoeveel hij heeft overgeboekt en of hij alleen handelde. Maar ik wil ook niet dat jij ooit denkt dat ik dit stilzwijgend goedkeurde.
Onder aan de brief stond: Als hij je ooit vraagt iets te tekenen, bel dan eerst Ellen Van Loon.
Ik legde de brief terug op mijn schoot. De verpleegkundige kwam binnen met thee. Ik dronk één slok en zette het kopje neer.
Henk had niet zomaar besloten dat ik in de weg stond. Hij had mij nodig gehad om iets te ondertekenen.
Drie dagen later kon ik naar huis. Ik ging niet alleen. Van Loon had geregeld dat er een slotenmaker kwam en dat een wijkagent aanwezig zou zijn. Henk was er niet. Zijn auto stond wel aan het einde van de straat.
Op de keukentafel lag een bruine envelop. Daarin zat een document met de titel Overeenkomst van geldlening. Er stond dat Lucas mijn vader € 145.000 had geleend. Onderaan stond een handtekening die op die van Lucas leek.
Bij de overeenkomst zat een conceptakte voor een hypotheekrecht op ons huis. Als ik die zou ondertekenen, kon mijn vader doen alsof de woning zekerheid bood voor de lening.
‘Heb je dit al gezien?’ vroeg Van Loon.