‘Jij hebt geen vakantie verdiend,’ zei Maarten, terwijl hij zijn zonnebril in het borstzakje van zijn overhemd schoof.
Ik stond met Noor op mijn arm en probeerde met mijn vrije hand een flesje klaar te maken. In de box huilden Finn en Lotte om beurten. Op de keukentafel lag Maartens paspoort naast een stapel ongeopende rekeningen.
‘Wat zei je?’
Hij trok de rits van zijn koffer dicht. ‘Ik heb een week nodig. Even geen luiers, geen schema’s, geen gedoe. Ik heb de afgelopen maanden keihard gewerkt.’
‘En ik?’
Hij keek naar Noor, die met rode oogleden tegen mijn schouder lag. ‘Jij hebt hier toch je handen vol aan.’
Maarten was negenendertig, mede-eigenaar van een installatiebedrijf in Utrecht en vader van drie kinderen die hij op dat moment niet eens bij hun naam noemde. Ik was zevenendertig, zes maanden eerder bevallen van een drieling en na vijf jaar vruchtbaarheidsbehandelingen nog altijd niet gewend aan het woord moeder. Toch wist ik precies welke fles bij welk kind hoorde, hoeveel milliliter ze dronken en welk huiltje betekende dat er een boertje dwarszat.
‘Je gaat echt?’
‘Ik heb al geboekt.’
Hij zei het op de toon waarop hij vertelde dat hij nog even langs de bouwmarkt ging. Daarna gaf hij me een kus op mijn voorhoofd. Niet op mijn mond. Zijn koffer rolde over de tegels naar de voordeur.
Ik keek hem na tot de deur dichtviel. De melk op het aanrecht was koud geworden.
De eerste dag hield ik het schema vol. Ik zette om de drie uur een wekker, noteerde flesjes op een kladblaadje en legde de babyfoon binnen handbereik. De tweede dag kwam de wijkverpleegkundige langs voor de controle van Noor, die wat minder dronk. Ze keek naar de lege stoel naast me.
‘Is Maarten aan het werk?’
‘Hij is een week weg.’
‘Op zakenreis?’
Ik draaide de dop op het flesje. ‘Nee. Vakantie.’
Ze zei niets. Ze legde alleen haar hand op mijn arm en vroeg of mijn zus kon komen helpen. Mijn zus woonde in Breda en had twee jonge kinderen. Die middag nam ze de trein en bleef ze tot zondag.
Maarten stuurde foto’s vanaf een terras aan zee. Een glas bier. Een bord vis. Zijn voeten op een ligbed. Op een foto stond een tweede glas naast het zijne.
Ik vroeg niet van wie het was. Niet omdat het me niet interesseerde, maar omdat Finn net zijn melk terug spuugde en Lotte tegelijk begon te huilen. Soms is vernedering vooral een kwestie van timing.
Op woensdagavond kreeg Noor koorts. Mijn zus hield Finn en Lotte bezig terwijl ik met Noor naar de huisartsenpost ging. Maarten nam niet op. Ik stuurde één bericht: Noor heeft koorts. Ik ben met haar bij de huisartsenpost. Bel me zodra je dit ziet.
Hij belde drie uur later.
‘Is het ernstig?’
‘Ze heeft koorts. De arts wil haar vannacht in de gaten houden.’
‘Kan je zus niet blijven?’
‘Ze heeft ook kinderen.’
Er viel een stilte. Daarna vroeg hij: ‘Heb je mijn kaart gebruikt? Ik krijg een melding van de hotelrekening.’
Ik keek naar Noor, die slaperig tegen mijn borst lag. De huisarts had gezegd dat het waarschijnlijk een virus was. Toch zat er nog een pleister op haar hand van het bloedprikken.
‘Je dochter heeft koorts en jij vraagt naar je hotelrekening.’
‘Ik probeer alleen te begrijpen wat er op mijn rekening gebeurt.’
‘Je hebt zelf geboekt.’
Hij zuchtte. ‘We praten als ik terug ben.’
Daarna verbrak hij de verbinding.
Ik bleef zitten met de telefoon in mijn hand. De plastic stoel kraakte onder mijn gewicht. In de gang sloeg een deur dicht. Noor bewoog even en werd weer stil.
De volgende ochtend vroeg mijn zus of ik wist hoeveel er nog op onze spaarrekening stond. Ze had een rekening betaald die ik op tafel had laten liggen, en wilde het bedrag terug.
Ik opende de bankapp. De spaarrekening die Maarten en ik na de geboorte van de kinderen hadden ingesteld, stond op minder dan duizend euro. Er moest ruim dertigduizend op hebben gestaan.
Ik keek nog eens. Daarna logde ik uit en weer in. Het bedrag bleef hetzelfde.
‘Heb je iets gevonden?’ vroeg mijn zus.
‘Nee.’
Ik zei het te snel. Ze zag het. Maar ze vroeg niet verder.
Die avond, toen de kinderen sliepen, ging ik op zoek naar de papieren van onze lening en verzekeringen. In de la onder de printer vond ik een map met de naam Gezin. Daarin zaten de geboorteakten, polisbladen en een dunne envelop met de naam van Maartens moeder erop: Ria van Dijk.
Ria en Maarten spraken elkaar al bijna een jaar nauwelijks. Hij had gezegd dat zij zich niet met ons gezin wilde bemoeien. Ik had haar twee keer gebeld na de bevalling. De eerste keer nam ze niet op. De tweede keer stuurde ze een kort bericht dat ze me later zou terugbellen. Dat had ze nooit gedaan.
In de envelop zat een kopie van een leningsovereenkomst. Ria had ons drie jaar eerder achttienduizend euro geleend voor een nieuwe ronde vruchtbaarheidsbehandelingen en de bijkomende kosten. Maarten had het document ondertekend. Ik herkende mijn handtekening.
De afspraak was eenvoudig: het geld bleef op een aparte spaarrekening en werd gebruikt voor de behandeling. Wat overbleef, zouden we aan Ria terugbetalen.
Ik wist nog dat ze bij ons aan de keukentafel had gezeten toen we de papieren ondertekenden. Maarten had gezegd dat het geld rechtstreeks naar de kliniek zou gaan. Ik had haar bedankt. Daarna was alles ingewikkelder geworden: afspraken, injecties, formulieren, teleurstellingen. Ik had de financiën aan Maarten overgelaten omdat ik het niet meer kon verdragen om elke maand naar bedragen te kijken die niet hielpen.