Drie weken na de dood van mijn man sleurde mijn vader me bij mijn haren mijn eigen huis uit — acht maanden zwanger

Ik schudde mijn hoofd. De envelop rook naar mijn vaders aftershave. ‘Hij heeft dit hier neergelegd.’

‘Niet aanraken,’ zei de wijkagent. Hij maakte foto’s voordat hij de papieren in een plastic map stopte.

De handtekening leek echt op het eerste gezicht. Maar ik kende Lucas’ handtekening. Hij zette zijn achternaam altijd met een kleine streep onder de laatste letter. Op het document stond een vloeiende lijn die hij nooit gebruikte.

‘Dit is niet van hem,’ zei ik.

Van Loon knikte. ‘Dat kan een deskundige vaststellen.’

Die middag belde Fleur. Haar stem klonk anders dan in haar berichten: gejaagd, maar beheerst.

‘Mara, Henk zegt dat je hem beschuldigt van vervalsing.’

‘Ik heb niets beschuldigd. Ik heb het document aan de politie gegeven.’

‘Hij heeft nooit gezegd dat jij moest tekenen.’

‘Hij heeft me uit mijn eigen huis gesleurd.’

Aan de andere kant bleef het stil.

‘Ik wist niet dat hij dat zou doen,’ zei ze uiteindelijk.

‘Maar je lachte.’

Ze ademde hoorbaar uit. ‘Ik was bang.’

‘Waarvoor?’

‘Voor hem. Voor wat er zou gebeuren als hij zijn plan niet kon uitvoeren.’

Dat antwoord klonk niet als een excuus. Het klonk als iemand die te lang had gewacht met zeggen wat waar was.

‘Welk plan?’

‘Hij zei dat Lucas hem geld verschuldigd was. Dat jij na de bevalling niet voor jezelf kon zorgen. Hij zei dat hij je alleen maar tijdelijk uit huis wilde halen, tot de papieren waren geregeld.’

‘Welke papieren?’

‘Die lening. En de hypotheek.’

Ik keek naar de gesloten map op tafel. ‘Wist je dat de handtekening vals was?’

‘Ik wist dat hij Lucas’ handtekening had gekopieerd.’

Fleur begon te huilen, maar haar stem bleef laag. ‘Ik heb het document gezien toen hij het oefende. Hij zei dat Lucas hem ooit had beloofd te helpen. Ik geloofde hem. Of ik wilde hem geloven.’

‘Waarom?’

Ze zei eerst niets. Toen: ‘Omdat ik dacht dat ik anders nergens heen kon.’

Fleur had haar baan in een schoonheidssalon opgezegd nadat ze met Henk trouwde. Ze had weinig spaargeld en geen eigen woning. Henk had haar verteld dat hij na de verkoop van zijn bedrijf weer geld zou hebben. Dat bleek niet waar. Ze was meegegaan in zijn plan omdat ze dacht dat ze daarmee tenminste een dak boven haar hoofd veiligstelde.

‘Je had me kunnen bellen,’ zei ik.

‘Dat weet ik.’

‘Je had ook tegen hem kunnen zeggen dat hij moest stoppen.’

‘Dat weet ik ook.’

Ze vroeg of ze de volgende dag naar het politiebureau kon komen. Ik zei dat ze Van Loon moest bellen. Niet mij.

Twee dagen later kreeg ik opnieuw weeën. De verloskundige adviseerde me naar het ziekenhuis te gaan. Dit keer was het niet door de schok; mijn lichaam was er gewoon klaar mee. Om kwart over elf die avond werd mijn dochter geboren. Ze woog 2.780 gram, had een donkere pluk haar en een boos gezichtje.

Ik noemde haar Noor.

Toen de verpleegkundige haar bij me legde, bleef mijn hand even boven haar rug hangen. Daarna streek ik één keer met mijn vinger langs haar schouder. Het was de eerste keer sinds Lucas’ dood dat ik iets aanraakte zonder meteen te denken aan wat ik daarna moest regelen.

Van Loon kwam de volgende middag. Ze had een klein houten doosje bij zich dat Lucas vlak voor zijn laatste opname aan haar had gegeven. Ze had het tot dan toe ongeopend bewaard.

‘Hij wilde dat u het zelf openmaakte,’ zei ze.

In het doosje lag een usb-stick en een klein, opgevouwen vel papier. Op de stick stond een geluidsopname van een gesprek tussen Lucas en mijn vader. Lucas had het opgenomen tijdens een gesprek in zijn kantoor, nadat Henk opnieuw om geld had gevraagd.

‘Ik heb de bedragen gezien,’ zei Lucas op de opname. ‘Je hebt ons geld gebruikt om je eigen bedrijf overeind te houden.’

‘Ik heb niets gestolen,’ antwoordde Henk. ‘Ik heb het teruggezet.’

‘Waar is het dan?’

‘Het komt eraan.’

‘Je vroeg me om een handtekening zodat je mijn bedrijf als onderpand kon gebruiken.’

‘Omdat jij meer hebt dan je ooit nodig zult hebben.’

‘Dat is geen antwoord.’

Er klonk een stoel die over de vloer schoof.

‘Mara krijgt het huis toch,’ zei Henk. ‘Als je straks doodgaat, kan ze mij helpen.’

Lucas’ stem veranderde nauwelijks. ‘Mijn gezin is geen vangnet voor jouw schulden.’

Daarna viel er een stilte. Toen hoorde ik mijn vaders stem weer.

‘Je maakt het alsof ik een vreemde ben.’

‘Nee. Ik maak het alsof je verantwoordelijk bent voor wat je hebt gedaan.’

De opname stopte.

Ik zette mijn telefoon neer. Noor sliep in het ziekenhuiswiegje naast me. Haar hand lag tegen haar wang, als een klein haakje.

‘Heeft Lucas dit laten gebruiken bij de politie?’ vroeg ik.

‘Hij heeft de opname alleen aan mij gegeven,’ zei Van Loon. ‘Hij wilde dat we eerst de administratie lieten controleren. Dat is inmiddels gebeurd. Een accountant heeft bevestigd dat ten minste € 38.400 vanuit Lucas’ bedrijf naar de rekening van uw vader is overgemaakt. Er is geen geldlening van € 145.000.’

‘En de papieren?’