Tijdens de twee weken die ik in het ziekenhuis doorbracht, leek de tijd zijn vorm te verliezen. Ochtenden gingen over in middagen, middagen in lange, onrustige nachten. De kamer was altijd gevuld met geluiden, maar tegelijkertijd vreemd leeg: het constante piepen van de monitoren, het zachte gesis van de zuurstof, het verre gekletter van karretjes op de gepolijste vloer. Maar geen vertrouwde stem klonk vanuit de deuropening. Mijn kinderen woonden in verschillende steden en probeerden een balans te vinden tussen carrière en gezin. Vrienden stuurden beleefde berichtjes, maar kwamen zelden op bezoek. De bezoekuren kwamen en gingen als een vloedgolf die nooit de kust bereikte.
Eenzaamheid sluipt er stilletjes in. Ze kondigt zich niet aan. Ze nestelt zich gewoon naast je als de lichten dimmen en de gang buiten stil wordt. Ik probeerde mezelf op te beuren en mezelf eraan te herinneren dat ik aan het herstellen was, dat het tijdelijk was. Maar 's nachts, als de wereld zich tot het plafond boven mijn bed verkleinde, sloop de twijfel binnen. Ik vroeg me af hoe gemakkelijk het is om uit het dagelijks leven te verdwijnen als een ziekte je vertraagt.