Elke nacht verfde iemand onze garagedeur zwart. Ik dacht dat het een flauwe grap van een stel jongeren was, totdat ik beveiligingscamera’s installeerde.

DEEL 2 – De vrouw die elke nacht onze garagedeur zwart verfde, verborg een geheim dat ons hele leven veranderde

Ik rende de trap af zonder mijn pantoffels aan te trekken.

Mijn hart bonsde zo hard dat ik nauwelijks kon ademhalen.

Op mijn telefoon zag ik nog steeds het beeld van de beveiligingscamera.

De donkere hoodie.

Het blik zwarte verf.

De verfroller.

En dat gezicht.

Dat gezicht dat ik bijna iedere dag vriendelijk had begroet.

Het was Kelly.

Onze buurvrouw.

Dezelfde vrouw die ons had geholpen de garagedeur schoon te maken.

Dezelfde vrouw die had gezegd hoe verschrikkelijk ze het vond.

Dezelfde vrouw die beweerde niets te hebben gehoord.

En nu stond ze om halfdrie ‘s nachts voor ons huis, bezig onze garagedeur opnieuw zwart te verven.

Ik kon het niet geloven.

‘Kelly?’ fluisterde ik.

Op het scherm keek ze even over haar schouder.

Daarna doopte ze de roller opnieuw in de verf.

Alsof ze precies wist wat ze deed.

Alsof ze helemaal niet bang was betrapt te worden.

Ik greep de deurklink.

Maar vlak voordat ik de voordeur opende, hoorde ik achter me een stem.

‘Wat doe je?’

Ik draaide me om.

Tobias stond onderaan de trap.

Zijn haar zat door de war en hij droeg alleen een T-shirt en een joggingbroek.

‘Het is Kelly,’ zei ik.

Hij fronste.

‘Wat?’

‘Kelly is degene die onze garagedeur zwart verft.’

Ik hield mijn telefoon omhoog.

Hij keek naar het scherm.

Zijn gezicht veranderde onmiddellijk.

Eerst ongeloof.

Daarna verwarring.

En toen iets anders.

Iets wat ik niet meteen kon plaatsen.

Angst.

‘Doe de deur niet open,’ zei hij.

Ik staarde hem aan.

‘Waarom niet?’

Hij keek opnieuw naar het scherm.

‘Wacht gewoon even.’

Maar ik had genoeg gewacht.

Drie nachten.

Drie keer schilderen.

Drie keer geld en tijd verspillen.

En nu wist ik eindelijk wie erachter zat.

‘Ik ga haar vragen wat ze in hemelsnaam aan het doen is.’

Ik trok de voordeur open.

‘Kelly!’

Mijn stem galmde door de stille straat.

Ze verstijfde.

De verfroller bleef halverwege de garagedeur hangen.

Langzaam draaide ze zich om.

Toen ze mij zag, liet ze de roller vallen.

Die kwam met een doffe klap op de oprit terecht.

‘Sanne…’

Haar stem trilde.

Ik liep de stoep af.

‘Wat ben jij aan het doen?’

Kelly keek naar de zwarte verf op haar handen.

Daarna naar mij.

‘Ik kan het uitleggen.’

Ik lachte ongelovig.

‘Dat hoop ik maar.’

Ze slikte.

‘Alsjeblieft, ga weer naar binnen.’

Ik bleef staan.

‘Wat?’

‘Ga naar binnen. Nu.’

Haar stem klonk plotseling wanhopig.

Ik voelde een koude rilling over mijn rug lopen.

‘Kelly, wat is er met je aan de hand?’

Ze keek niet naar mij.

Ze keek langs me heen.

Naar Tobias.

Die inmiddels in de deuropening stond.

Toen fluisterde ze iets wat ik nauwelijks kon verstaan.

‘Hij mag niet weten dat je het gezien hebt.’

Ik fronste.

‘Wie?’

Kelly begon te huilen.

‘Sanne, alsjeblieft. Ga naar binnen en doe de deur op slot.’

Achter me hoorde ik Tobias dichterbij komen.

‘Kelly,’ zei hij kalm. ‘Wat ben je aan het doen?’

Ze keek hem aan.

En haar gezicht werd doodsbleek.


Ik had Kelly altijd beschouwd als een van de vriendelijkste mensen in onze straat.

Ze was een jaar of veertig, woonde alleen en werkte volgens eigen zeggen als administratief medewerkster bij een zorginstelling.

Ze bracht soms zelfgebakken koekjes langs.

Ze gaf onze planten water wanneer we op vakantie waren.

En toen ik vorig jaar ziek was geweest, had ze zonder dat ik erom vroeg boodschappen voor ons gedaan.

We waren geen beste vriendinnen.

Maar ik vertrouwde haar.

Of dat dacht ik tenminste.

‘Ik wil dat je onmiddellijk stopt,’ zei Tobias.

Zijn stem klonk anders dan normaal.

Harder.

Kelly keek hem aan.

‘Ik ben bijna klaar.’

Ik staarde haar aan.

‘Bijna klaar waarmee? Met het vernielen van ons huis?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Je begrijpt het niet.’

‘Leg het dan uit!’

Kelly keek naar het zwarte vlak op onze garagedeur.

Daarna zei ze zacht:

‘Ik probeer te voorkomen dat iemand naar binnen gaat.’

Er viel een stilte.

Ik keek haar ongelovig aan.

‘Waar heb je het over?’

Ze wees naar de garage.

‘Jullie mogen die deur vannacht niet openen.’

Ik voelde mijn maag samentrekken.

‘Waarom niet?’