„Ook.”
„Maandag moet ik werken.”
„Dan heb je twee opties.”
Ik hield twee vingers omhoog.
„Je neemt ouderschapsverlof of een vrije dag, of je regelt kinderopvang.”
Hij staarde me aan.
„Dat kan ik niet zomaar doen.”
„Waarom niet?”
„Mijn werk is belangrijk.”
„Onze kinderen ook.”
„Ik heb verantwoordelijkheden.”
Ik begon bijna te lachen.
„Daan, je hebt geen idee hoe ironisch die zin klinkt.”
Hij sloeg zijn armen over elkaar.
„Je probeert me te straffen.”
„Nee.”
„Natuurlijk wel.”
„Ik probeer mijn arm te laten genezen.”
„Onzin.”
„De dokter heeft letterlijk gezegd dat ik rust nodig heb.”
„Je moeder kan toch hier komen?”
„Dat heeft ze gedaan.”
Ik kwam dichterbij.
„Omdat jij weigerde.”
Hij keek weg.
„Ik werk.”
„En zodra jij thuiskomt, stop je met vader zijn?”
Geen antwoord.
„Dat dacht ik al.”
Die avond sliep ik bij mijn moeder.
Ik sliep zeven uur achter elkaar.
Zeven.
Toen ik wakker werd, wist ik nauwelijks waar ik was.
Mijn moeder zat beneden met koffie.
„Hoe voel je je?”
„Schuldig.”
Ze keek me streng aan.
„Waarom?”
„Omdat de jongens straks naar Daan gaan.”
„Hun vader.”
„Ik weet het.”
„Hij is geen vreemde, Claire.”
„Nee.”
„En jij laat ze niet in gevaar achter. Ik woon twaalf minuten verderop. Als er echt iets is, gaan we meteen.”
Ik knikte.
„Maar?”
„Maar niets.”
Ze glimlachte.
„Mooi.”
Om acht uur bracht ze de jongens naar huis.
Om acht uur zeven kreeg ik het eerste bericht van Daan.
Waar staan de schone rompertjes?
Ik antwoordde:
Tweede lade van de commode.
Acht minuten later:
Welke fles is van wie?
Ze gebruiken dezelfde soort fles.
Tien minuten later:
Hoeveel melk drinken ze?
Ik stuurde een foto van het schema dat al vijf maanden aan de koelkast hing.
Hij antwoordde niet.
Om negen uur belde hij.
„Waarom huilt Finn?”
„Geen idee.”
„Wat bedoel je, geen idee?”
„Ik ben niet daar.”
„Hij blijft huilen.”
„Heeft hij gegeten?”
„Ja.”
„Schone luier?”
„Ja.”
„Heeft hij een boertje gelaten?”
Stilte.
„Een wat?”
Ik sloot mijn ogen.
„Hou hem rechtop tegen je schouder.”
„Waarom?”
„Daan.”
„Oké, oké.”
Vijf minuten later kreeg ik:
Hij is gestopt.
Ik glimlachte.
Om tien uur:
Milan slaapt niet.
Om kwart over tien:
Hoe krijg jij hem in slaap?
Om halfelf:
Claire?
Om elf uur:
NEEM OP.
Ik belde terug.
„Wat?”
„Ze huilen allebei.”
Op de achtergrond hoorde ik precies wat hij bedoelde.
„Welkom bij een normale ochtend.”
„Dit is niet normaal.”
„Dit is iedere dag.”
„Allebei tegelijk?”