„Regelmatig.”
„Wat moet ik doen?”
„Uitzoeken wat ze nodig hebben.”
„Kun je niet gewoon komen?”
„Nee.”
„Waarom niet?”
Ik keek naar mijn gips.
„Omdat ik ziek ben.”
Hij zweeg.
„Moeders krijgen toch geen ziektedagen?” vroeg ik.
Hij hing op.
Mijn moeder keek over haar bril naar me.
„Dat was een beetje gemeen.”
„Ja.”
„Voelde het goed?”
„Ontzettend.”
Ze glimlachte.
„Mooi.”
Om twee uur werd het stil.
Geen berichten.
Geen telefoontjes.
Ik begon me zorgen te maken.
„Misschien moet ik bellen.”
Mijn moeder pakte mijn telefoon.
„Nee.”
„Maar—”
„Als er iets ernstigs is, belt hij.”
Om halfvier stuurde Daan een foto.
Finn en Milan lagen allebei te slapen.
Daan zat tussen hen in op de bank.
Zijn haar stond alle kanten op.
Er zat een melkvlek op zijn shirt.
Onder de foto stond:
Ik heb het voor elkaar.
Ik moest glimlachen.
Goed gedaan.
Die avond belde hij niet.
De volgende ochtend om zeven uur wel.
„Hoe vaak worden ze normaal wakker?”
„Afgelopen nacht?”
„Ja.”
„Hoe vaak waren ze wakker?”
„Vier keer.”
„Dan heb je geluk gehad.”
„Geluk?”
„Vorige week waren het er zes.”
Er volgde een lange stilte.
„Zes?”
„Ja.”
„En jij doet dat alleen?”
„Meestal.”
„Waarom heb je me nooit wakker gemaakt?”
Ik zei niets.
Hij wist het antwoord.
Omdat hij boos werd.
Omdat hij de volgende ochtend moest werken.
Omdat hij zei dat hij zijn slaap nodig had.
Omdat ik uiteindelijk had geleerd dat het makkelijker was om niets meer te vragen.
„Claire?”
„Je weet waarom.”
Hij antwoordde niet.
Zondagavond kreeg ik een vreemd bericht.
Het spijt me.
Ik staarde ernaar.
Mijn moeder keek mee.
„Nou.”
„Dat is snel.”
„Wacht maar.”
Ze had gelijk.
Maandagochtend om zes uur belde Daan.
„Ik kan niet naar mijn werk.”
„Oké.”
„Wat bedoel je, oké?”
„Dan ga je niet.”
„Ik heb een vergadering om negen uur.”
„Dan regel je opvang.”
„Alles zit vol.”
„Dat had je eerder moeten regelen.”
„Claire, dit is belachelijk.”
„Waarom?”
„Omdat ik niet zomaar kan zeggen dat ik niet kom omdat ik op mijn kinderen moet passen.”
Ik zweeg.
Hij ook.
Toen hoorde ik hem langzaam ademhalen.