Deel 2
De voetstappen kwamen steeds dichterbij.
Diane legde de tekening voorzichtig op tafel.
Een seconde later vloog de deur open.
Een vrouw van begin dertig stormde de kamer binnen.
Haar haar zat slordig in een knot. Ze droeg een donkerblauwe werkbroek en een grijze trui met het logo van een schoonmaakbedrijf erop.
Ze was buiten adem.
‘Mia!’
Het meisje liet onmiddellijk haar kleurpotlood vallen.
‘Mama!’
De vrouw liep naar het bed, maar moest halverwege haar pas vertragen.
Haar rechterhand begon hevig te trillen.
Ze greep met haar linkerhand de rand van een stoel vast.
Diane zag het meteen.
Niet alleen de trillende hand.
Ook het bleke gezicht.
Het zweet bij haar haargrens.
De manier waarop ze haar ogen een paar seconden dichtkneep alsof ze probeerde overeind te blijven.
‘Mevrouw, gaat het?’
‘Met mij wel.’
Ze duwde de woorden eruit en liep verder naar haar dochter.
‘Wat is er met haar gebeurd?’
Mia stak haar armen uit.
‘Mama.’
De vrouw ging naast haar zitten en drukte haar voorzichtig tegen zich aan.
‘Ik ben hier, lieverd. Ik ben hier.’
Mia begon voor het eerst sinds ze in het ziekenhuis was hard te huilen.
Niet van pijn.
Van opluchting.
Diane keek naar het identiteitsbandje dat zojuist voor de vrouw was klaargelegd.
Laura de Jong.
‘Mevrouw De Jong, ik ben Diane, een van de verpleegkundigen die voor Mia zorgt.’
Laura knikte.
‘Wat heeft ze? Niemand wilde iets door de telefoon zeggen. Ze zeiden alleen dat ik meteen moest komen.’
‘De arts komt zo met u praten.’
Laura keek naar Mia’s benen.
Haar gezicht veranderde.
‘O nee.’
Diane hoorde het.
Niet:
Wat is dat?
Niet:
Hoe is dit gebeurd?
Maar:
O nee.
‘Hebt u dit eerder gezien?’ vroeg Diane.
Laura keek op.
‘Nee.’
Het antwoord kwam te snel.
Diane zei niets.
Laura trok Mia dichter tegen zich aan.
Toen zag ze de tekening op tafel.
De vrouw.
Het meisje.
De injectiespuit.
Alle kleur verdween uit haar gezicht.
Nog geen twee minuten later kwam kinderarts dr. Van Dalen binnen.
Hij stelde zich voor, ging zitten en sprak eerst met Mia.
Rustig.
Geen haast.
Geen beschuldigingen.
Daarna keek hij naar Laura.
‘We hebben uw dochter onderzocht. Haar toestand is op dit moment stabiel.’
Laura ademde hoorbaar uit.
‘Dank u.’
‘Maar we moeten begrijpen wat er is gebeurd.’
‘Natuurlijk.’
‘Mia heeft ernstige huidirritatie aan de binnenkant van haar bovenbenen en in de liesstreek. Er zijn ook tekenen van een chemische irritatie.’
Laura keek hem verbijsterd aan.
‘Chemisch?’
‘Dat is onze voorlopige indruk.’
‘Van wat?’
‘Dat weten we nog niet.’
Laura’s blik ging naar haar dochter.
‘Mia?’
Het meisje trok haar teddybeer tegen haar borst.
‘Ik heb niks gedaan.’
‘Dat zegt niemand,’ zei dr. Van Dalen onmiddellijk.
Hij richtte zich weer tot Laura.
‘De ambulanceverpleegkundigen meldden een opvallende chemische geur in huis. Daarnaast stonden er verschillende medicijnen in Mia’s slaapkamer.’
Laura’s gezicht werd strak.
‘Die zijn niet van haar.’
‘Van wie dan?’
‘Van mij.’
Diane keek naar haar trillende hand.
Laura zag het.
‘Ik heb diabetes type 1.’
De kamer werd stil.
‘Sinds mijn vijftiende,’ voegde ze eraan toe.
Diane keek automatisch naar de tekening.
De spuit.
Laura volgde haar blik.
Toen begreep ze het.
‘O.’
Ze pakte de tekening op.
‘Daarom heeft ze dit getekend.’
Mia knikte.
‘Mama moet prikken.’
Laura keek naar Diane.
‘Insuline. Geen drugs, als u dat soms dacht.’
‘We proberen niets aan te nemen,’ zei Diane.
‘Waarom stonden uw medicijnen dan in Mia’s slaapkamer?’ vroeg dr. Van Dalen.
Laura keek naar de vloer.
‘Omdat dat de koelste kamer boven is.’
‘Insuline hoort gekoeld te worden voordat het in gebruik is.’
‘Ik weet het.’
‘En daarna?’
‘De pennen die ik gebruik liggen normaal beneden. De reservevoorraad stond tijdelijk boven.’
‘Waarom?’
Laura zweeg.
Toen zei ze:
‘Onze koelkast is kapot.’
Dat was het eerste stukje.
Niet het laatste.
De koelkast was vier dagen eerder stukgegaan.
Laura had geen geld gehad om hem onmiddellijk te vervangen.
Een deel van haar ongeopende insuline had ze tijdelijk bij een buurvrouw ondergebracht.
Andere medicijnen en hulpmiddelen had ze boven gezet, uit de buurt van de radiator en het zonlicht.
‘Ik weet dat het niet ideaal is,’ zei ze.
‘Waarom in Mia’s kamer?’
‘Omdat ik dacht dat ze er niet aan zou komen.’
Mia keek beledigd.
‘Dat doe ik ook niet.’
Laura streek door haar haar.
‘Ik weet het, lieverd.’
Dr. Van Dalen bleef rustig.
‘Welke andere middelen stonden daar?’
Laura begon ze op te noemen.
Insulinepennen.
Glucosetabletten.
Een desinfecterende spray.
Een fles huidreiniger.
Een paar medicijnen voor zenuwpijn.
Een ontsmettingsmiddel dat ze van haar werk had meegenomen.
Bij dat laatste keek Diane op.
‘Van uw schoonmaakwerk?’