‘Ik wilde haar niet kwijt.’
Mijn stem trilde.
‘Mijn ouders dwongen me.’
Sophie zei niets.
Dus vertelde ik haar alles.
Ik was negentien.
Ongetrouwd.
Bang.
Mijn vader was streng en volledig geobsedeerd door wat anderen van onze familie vonden.
Toen mijn zwangerschap niet langer verborgen kon worden, stuurden mijn ouders me naar familie in een andere stad.
Niemand mocht weten waarom.
Na de bevalling kreeg ik Anna maar enkele uren bij me.
Ik herinnerde me haar donkere haar.
Haar kleine vingers.
De manier waarop ze tegen mijn borst sliep.
Ik had haar Anna genoemd naar mijn grootmoeder.
De volgende ochtend kwamen mijn ouders met papieren.
‘Ik wilde niet tekenen.’
Sophie luisterde doodstil.
‘Mijn vader zei dat ik geen geld had, geen huis en geen mogelijkheid om alleen een kind groot te brengen.’
Mijn keel trok dicht.
‘Mijn moeder zei dat als ik echt van mijn baby hield, ik haar een beter leven zou geven.’
‘Dus u tekende.’
Ik knikte.
‘En daarna?’
‘Daarna mocht ik haar nooit meer zien.’
Ik had brieven geschreven.
Tientallen.
Misschien honderden.
Voor haar eerste verjaardag.
Haar vijfde.
Haar tiende.
Toen ze zestien werd.
Toen ze achttien werd.
Maar de adoptie was gesloten.
Mijn ouders beweerden dat contact onmogelijk was.
Toen zij overleden, vond ik geen enkel document waarmee ik Anna kon opsporen.
‘Mama heeft nooit een brief gekregen,’ zei Sophie.
Ik verstijfde.
‘Geen enkele?’
‘Nee.’
Ik stond op.
Liep naar de kast in de woonkamer.
En haalde een oude houten doos tevoorschijn.
Daarin zaten kopieën.
41 verjaardagskaarten.
Brieven.
Foto’s.
Een ziekenhuisbandje.
En één piepklein gebreid mutsje dat Anna tijdens haar eerste nacht had gedragen.
Ik zette de doos voor Sophie neer.
Ze sloeg beide handen voor haar mond.
‘Mijn God.’