‘De beelden zeggen iets anders.’
Noor vertelde me dat Maarten inmiddels had verklaard dat Daan in zijn auto had gezeten, maar dat hij hem niet bij de koelkast had achtergelaten. Volgens hem was de jongen verdwenen toen hij even materiaal naar een opslagruimte bracht. Het terrein was verlaten. Hij had meteen naar hem gezocht.
‘Waar is het busje?’
‘Bij zijn bedrijf. De politie heeft het in beslag genomen.’
‘En Daan?’
‘Hij herkent het busje. Hij zegt dat zijn vader hem erin heeft gezet.’
Noor liet me de camerabeelden niet zien. Ze hoefde het ook niet. Het verhaal dat Maarten had bedacht, was al aan het verschuiven.
Toch wist de jeugdbeschermer nog niet of Daan thuis gevaar liep. Een kind kon zich vergissen. Een ouder kon iets verkeerd doen zonder dat er sprake was van opzet. En Maarten had geld, een advocaat en een huis waar alles netjes op zijn plaats stond. Ik had een slaapzak en een verleden dat niemand hoefde te geloven.
Ik begreep dat. Ik had zelf jarenlang gedacht dat nette mensen automatisch gelijk hadden.
Toen kwam de eerste echte verandering.
Een vrouw belde Noor vanuit een opvanglocatie in Leiden. Ze heette Sanne Vermeer. Ze leefde. Ze had drie maanden geleden aangifte gedaan van bedreiging en was toen tijdelijk ondergebracht op een geheim adres.
Maarten had tegen politie en school verteld dat ze was vertrokken en geen contact met Daan wilde. Hij had zelfs gezegd dat ze naar het buitenland was gegaan. Sanne had juist meerdere keren gevraagd haar zoon te zien. Er was een tijdelijke omgangsregeling, maar Maarten had die niet nageleefd.
‘Waarom heeft ze Daan niet zelf opgehaald?’ vroeg ik aan Noor.
‘Ze heeft het geprobeerd. Maarten zei dat Daan ziek was. Daarna werd haar verteld dat ze hem niet mocht benaderen zolang het onderzoek naar haar mentale gezondheid liep.’
‘Was dat onderzoek echt?’
Noor keek naar haar notities.
‘Er is een rapport van een huisarts. Maar Sanne zegt dat ze nooit bij die huisarts is geweest.’
Het rapport was ondertekend door een arts die Daan behandelde bij een praktijk in Heemstede. De arts ontkende dat hij Sanne ooit had gezien. Zijn digitale handtekening was gebruikt bij een document dat hij niet had opgesteld. De politie onderzocht wie toegang had tot het systeem.
Sanne had geen geld om een lange rechtszaak te voeren. Maarten had intussen een verzoek ingediend om alleen het ouderlijk gezag te krijgen. Hij noemde haar instabiel, onbetrouwbaar en een gevaar voor Daan.
‘En de koelkast?’ vroeg ik.
‘Maarten zegt dat hij Daan daar niet in heeft gezet.’
‘Wat zegt Daan?’
‘Dat hij zich in de laadruimte van het busje had verstopt toen zijn vader met hem naar het terrein reed. Hij dacht dat ze naar zijn moeder gingen. Maarten ontdekte hem pas hier.’
‘En toen?’
Noor antwoordde niet meteen.
‘Daan zegt dat zijn vader hem in de koelkast heeft gezet omdat hij anders weg zou lopen. Maarten zegt dat Daan er zelf in kroop toen hij uitstapte.’
‘Dat is nogal een verschil.’
‘Ja.’
Die middag mocht Sanne haar zoon voor het eerst zien. De jeugdbeschermer regelde een kamer in het ziekenhuis met een medewerker erbij. Ik was niet uitgenodigd, maar Noor belde me die avond.
‘Daan vroeg of u er ook was.’
‘Wat hebt u gezegd?’
‘Dat u niet bij het gesprek mocht zijn. Dat is beter voor het onderzoek.’
Ik begreep het. Toch voelde het alsof ik opnieuw buiten een deur stond waarachter iemand bang was.
‘Is Sanne echt zijn moeder?’ vroeg ik.
‘Ja. Dat is bevestigd.’
‘En Daan?’
‘Hij liep naar haar toe voordat ze iets kon zeggen.’
Noor vertelde me dat Sanne op haar hurken was gaan zitten. Daan had haar gezicht met beide handen vastgepakt, alsof hij wilde controleren of het nog echt was. Toen had hij gevraagd waarom ze hem had achtergelaten.
‘Wat zei ze?’