Ik voelde mijn keel dichtknijpen.
‘Waarom?’
‘Omdat hij vond dat hij zijn broer had moeten tegenhouden.’
Robert keek naar zijn handen.
‘Hij had gemerkt dat Mikkel te moe was om te rijden. Hij had voorgesteld om een taxi te nemen. Maar uiteindelijk stapte hij toch in.’
Ik voelde tranen opkomen.
‘Dat was niet zijn schuld.’
‘Dat hebben we hem jarenlang verteld.’
Robert schudde zijn hoofd.
‘Maar hij geloofde ons niet.’
Na het ongeluk was Lukas veranderd.
Hij trok zich terug.
Hij wilde niet meer naar school.
Hij vermeed vrienden.
En iedere keer dat hij in de spiegel keek, zag hij het gezicht van zijn overleden broer.
‘Het was alsof hij zichzelf niet meer kon verdragen,’ fluisterde Robert.
Ik keek naar mijn baby.
Zijn kleine vingers bewogen tegen de deken.
‘Maar waarom zei hij dat zijn ouders dood waren?’
Robert keek me aan.
‘Omdat hij acht jaar geleden het contact met ons heeft verbroken.’
Mijn hart trok samen.
‘Waarom?’
Hij zweeg lang.
Toen zei hij:
‘Omdat ik een fout heb gemaakt die ik tot op de dag van vandaag betreur.’
Robert vertelde dat hij na het ongeluk had geprobeerd Lukas te helpen.
Hij was arts.
Hij kende psychologen.
Therapeuten.
Specialisten.
Hij dacht dat hij alles kon oplossen als hij maar de juiste mensen inschakelde.
Maar Lukas wilde geen behandelingen.
Hij wilde niet praten.
Hij wilde alleen met rust gelaten worden.
‘Op een avond kregen we ruzie,’ zei Robert.
Zijn stem werd schor.
‘Ik was uitgeput. Mijn vrouw was kapot van verdriet. En Lukas bleef zichzelf beschuldigen.’
Hij keek naar het raam.
‘Ik zei iets wat een vader nooit tegen zijn kind mag zeggen.’
Ik voelde mijn maag samentrekken.
‘Wat?’
Zijn ogen vulden zich met tranen.
‘Ik zei dat we al één zoon hadden verloren en dat hij bezig was ervoor te zorgen dat we ook de tweede kwijtraakten.’
Ik sloot mijn ogen.
‘O god.’
Robert knikte.
‘Hij keek me aan alsof ik hem had geslagen.’
Zijn stem brak.
‘De volgende ochtend was hij weg.’
Acht jaar lang had Robert zijn zoon gezocht.
Hij had brieven gestuurd.
Berichten achtergelaten.
Vrienden gebeld.
Maar Lukas wilde niet gevonden worden.
‘Af en toe hoorde ik dat hij ergens werkte,’ zei Robert. ‘In Kopenhagen. Daarna in Odense. Later weer hier in Aarhus.’
Ik voelde mijn hart bonzen.
‘Hij werkte in een garage toen ik hem ontmoette.’
Robert keek onmiddellijk op.
‘Een garage?’
Ik knikte.
‘Hij repareerde auto’s.’
Een vreemde uitdrukking verscheen op zijn gezicht.
‘Dat was zijn grootste angst na het ongeluk.’
‘Wat?’
‘Autorijden.’
Ik keek naar mijn slapende zoon.
En ineens herinnerde ik me iets.
Lukas had nooit achter het stuur gezeten wanneer we samen ergens naartoe gingen.
Hij had altijd gezegd dat hij liever fietste.
Of de bus nam.
Ik had er nooit veel achter gezocht.
Nu begreep ik waarom.
‘Maar waarom is hij bij mij weggegaan?’ vroeg ik.
Mijn stem brak.
‘Waarom verdween hij toen ik vertelde dat ik zwanger was?’
Robert keek me aan.
‘Dat weet ik niet.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Hij hield van me.’
De woorden kwamen eruit voordat ik ze kon tegenhouden.
‘Tenminste… dat dacht ik.’
Robert zei niets.
Ik voelde tranen over mijn wangen lopen.
‘We waren gelukkig. We hadden het niet breed, maar we maakten plannen. Hij zei dat hij ooit een eigen werkplaats wilde beginnen.’
Ik keek naar mijn zoon.
‘En toen vertelde ik dat ik zwanger was.’
Mijn keel trok dicht.
‘Hij werd bleek. Hij zei dat hij tijd nodig had. En daarna verdween hij.’
Robert keek alsof hij ieder woord voelde.
‘Het spijt me.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Ik wil geen medelijden.’
Ik keek hem recht aan.
‘Ik wil weten waarom mijn zoon geen vader heeft.’
Robert zweeg.
Toen keek hij opnieuw naar mijn baby.
‘Mag ik hem even zien?’
Ik aarzelde.
Maar iets in zijn stem raakte me.
Ik sloeg de deken voorzichtig iets verder open.
Robert boog zich naar voren.
Zijn ogen werden opnieuw vochtig.
‘Daar,’ fluisterde hij.
Ik fronste.
‘Wat?’
Hij wees naar de linkerwang van mijn zoon.
‘Dat kleine kuiltje.’
Ik keek.
Mijn baby had inderdaad een piepklein kuiltje in zijn wang.
‘En zijn wenkbrauwen,’ vervolgde Robert.
Hij slikte.
‘Hij lijkt precies op Lukas toen hij werd geboren.’
Ik voelde mijn hart samentrekken.
Robert glimlachte verdrietig.
‘Maar ook op Mikkel.’
En toen begreep ik waarom hij had gehuild.
Het gezicht van mijn zoon had hem in één ogenblik teruggebracht naar de dag waarop hij zijn tweelingjongens voor het eerst in zijn armen had gehouden.
De ene zoon was overleden.
De andere was verdwenen.
En nu lag er plotseling een klein jongetje voor hem dat op allebei leek.
‘Hoe heet hij?’ vroeg Robert zacht.
Ik keek naar mijn baby.
‘Ik heb nog geen naam gekozen.’
Robert knikte.
‘Dat hoeft ook niet meteen.’
Ik glimlachte verdrietig.
‘Lukas wilde hem vroeger Emil noemen.’
De arts verstijfde.
‘Emil?’
Ik keek op.
‘Ja.’
Robert sloeg een hand voor zijn mond.
Zijn ogen vulden zich opnieuw met tranen.
‘Dat was de tweede naam van Mikkel.’
Ik staarde hem aan.
‘Wat?’