MIJN MAN TROUWDE MET MIJ OM MIJN VADERS HUIS TE STELEN

DEEL 3 — De Man Met De Zwarte Handschoenen

Toen ging de deurbel opnieuw.

Daan verstijfde.

Mijn vader zei:

"Verwacht je nog iemand?"

"Nee."

Maar zijn stem loog.

De bel ging nog een keer.

Langer.

Harder.

Mijn vader stond op.

"Blijf zitten," zei Daan.

Die woorden kwamen te snel.

Te bevelend.

Willem bleef staan.

"In mijn huis zeg jij niet wanneer ik naar mijn eigen deur loop."

Zijn voetstappen klonken richting gang.

Ik durfde niet te bewegen.

Boven de tafel schoof Daan zijn stoel naar achteren. Ik zag alleen zijn schoenen, de donkere leren schoenen die ik voor zijn verjaardag had gekocht. Ze draaiden zenuwachtig heen en weer.

De voordeur ging open.

Een onbekende stem zei:

"Goedenavond. Frank stuurt mij."

Mijn maag zakte.

Daan vloekte binnensmonds.

"Niet hier," siste hij.

De man kwam toch binnen.

Zijn voetstappen waren zwaar, rustig, alsof hij geen huis betrad maar bezit inspecteerde. Hij droeg zwarte handschoenen. Ik zag ze toen hij zijn hand op de tafel legde, vlak naast het kleed dat tot bijna op de vloer hing.

"Wie ben jij?" vroeg mijn vader.

"Een vriend van uw schoonzoon."

"Ik heb geen vrienden met handschoenen in mijn keuken."

De man lachte niet.

"Daan, de afspraak was dat we vanavond duidelijkheid kregen."

"Ik ben ermee bezig."

"Frank houdt niet van bezig."

"Vrijdag," zei Daan. "Ik heb gezegd vrijdag."

"Frank zegt vanavond een bewijs van voortgang."

Daan klonk paniekerig.

"Ik kan hem niet dwingen terwijl hij zo doet. Hij wil tijd."

De man boog zich vermoedelijk naar mijn vader.

"Willem, toch? Mooi huis. Oude wijk. Grondwaarde stijgt. Hypotheekvrij. Zonde als er gedoe van komt."

Mijn vader zei niets.

De man vervolgde:

"Mijn advies: tekenen. Dan blijft iedereen heel."

Onder de tafel voelde ik mijn telefoon zweterig worden in mijn hand.

Dit was geen fraude meer.

Dit was afpersing.

"Ik teken niets voor mensen die hun naam niet geven," zei mijn vader.

De man zuchtte.

"Mijn naam is Niek. Meer heeft u niet nodig."

Daan zei snel:

"Niek, rustig. Dit helpt niet."

"Wat niet helpt, Daan, is dat jij twee miljoen kwijtraakt op krediet en vervolgens belooft dat het onderpand bijna rond is, terwijl ik hier een oude man koffie hoor drinken alsof hij in een bridgeclub zit."

Mijn vader antwoordde droog:

"Ik speel geen bridge."

"Natuurlijk niet."

Niek liep door de keuken.

Ik zag zijn zwarte schoenen vlak bij de tafelrand.

Als hij bukte, zag hij mij.

Mijn adem stokte.

Mijn vader zei plotseling:

"Ik heb koekjes."

Niek bleef staan.

"Wat?"

"Bij koffie horen koekjes."

Daan beet hem toe:

"Willem, hou op met die act."

Act.

Het woord hing even in de lucht.

Mijn vader hoorde het ook.

Hij speelde verder.

"Welke act?"

Daan besefte zijn fout.

Niek niet.

"Deze man is niet zo verward als je zei."

"Dat wisselt," zei Daan snel. "Hij heeft heldere momenten. Dat staat ook in het rapport."

"Dat valse rapport?"

Daan was stil.

Niek grinnikte.

"Ontspan. Frank weet heus dat rapporten gemaakt moeten worden. Maar als je vals papier koopt, moet het wel bruikbaar zijn."

Mijn vader vroeg:

"Wie heeft dat rapport gemaakt?"

Daan zei:

"Dat gaat u niets aan."

Niek antwoordde:

"Een arts zonder praktijk en met een gokprobleem. Past in het thema."

Mijn vader ging weer zitten.

"Dus mijn geheugenproblemen zijn gekocht?"

Daan's stem werd hard.

"U dwingt mij hiertoe."

"Hoe dan?"

"Omdat u weigert redelijk te zijn."

"Redelijk betekent mijn huis aan jouw moeders bedrijf geven?"

"Redelijk betekent begrijpen dat Lotte en ik recht hebben op zekerheid."

"Jij hebt recht op mijn huis omdat je met mijn dochter trouwde?"

"Ik heb twaalf jaar geïnvesteerd in deze familie!"

Mijn vader liet een stilte vallen.

"Waarin precies?"

Daan sloeg met zijn vuist op tafel.

"In vertrouwen! In tijd! In het geduld om te wachten tot jij eindelijk zwakker werd!"

Daar was het.

De zin.

Zo lelijk, zo kaal, zo volledig dat zelfs Niek even niets zei.

Daan ademde zwaar.

Toen zei hij zachter:

"Dit had allemaal netjes kunnen gaan. U had kunnen tekenen. Lotte had kunnen rouwen om uw verhuizing naar zorg. Frank had zijn zekerheid. Ik had de zaak kunnen redden. Niemand hoefde pijn te lijden."

Niemand.

Behalve mijn vader.

Behalve ik.

Behalve de waarheid.

Niek tikte met zijn gehandschoende vingers op tafel.

"Mooi verhaal. Maar Frank wil vrijdag niet. Frank wil morgen."

"Onmogelijk," zei Daan.

"Dan krijgt Frank misschien interesse in andere zekerheden."

"Zoals?"

Niek draaide iets.

Ik zag zijn schoenen nu recht voor mij.

"Zoals je vrouw."

Mijn bloed werd ijs.

Daan zei niets.

Geen verontwaardiging.

Geen woede.

Geen: blijf van Lotte af.

Alleen stilte.

Niek vervolgde:

"Levensverzekering, toch? Ongevallenpolis. Zakelijk verpandbaar als het huwelijk op papier nog stabiel is."

Mijn telefoon trilde bijna uit mijn hand.

Levensverzekering?

Ik had geen nieuwe polis afgesloten.

Dacht ik.

Daan fluisterde:

"Dat is plan B."

Mijn vader's stoel kraakte.

"Wat zei je?"

Daan antwoordde niet.

Niek wel.

"Hij zei plan B, opa."

En op dat moment begreep ik dat mijn vader mij niet alleen onder de tafel had verstopt om Daan te ontmaskeren.

Hij had mij verstopt omdat Daan niet kwam praten over een huis.

Hij kwam praten over wie hij daarna zou opofferen.