DEEL 8 — De Naam In De Spiegel
Zes weken na de crash mocht ik het ziekenhuis verlaten.
Niet naar het huis van Richard en Barbara.
Dat was verzegeld.
Niet naar mijn oude appartement, waar Daan een sleutel had gehad en Barbara ooit zonder vragen de koelkast inspecteerde.
Victoria bood haar grachtenhuis in Den Haag aan.
"Er is een vleugel met eigen ingang," zei ze snel. "Je hoeft mij niet te zien als je dat niet wilt."
Ik keek haar aan.
"Je probeert heel hard geen moeder te zijn."
Ze schrok.
"Ik probeer je niet opnieuw iets op te leggen."
"Dat weet ik."
"En?"
"Ik kom tijdelijk."
Ze ademde uit alsof ze twintig jaar lucht had vastgehouden.
"Tijdelijk is goed."
Het grachtenhuis was groot, maar niet koud. Dat verbaasde me. Ik had verwacht dat Victoria tussen marmer en stilte leefde. In plaats daarvan waren er boeken, oude foto's, bloemen die niet door personeel maar door haarzelf scheef in vazen waren gezet, en een keuken waar pannen zichtbaar gebruikt werden.
Mijn kamer keek uit op een binnentuin.
Op het bureau lag een map.
Niet met bewijs.
Met praktische zaken.
Nieuwe identiteitsopties.
Psychologische begeleiding.
Juridische stappen voor naamherstel.
Financiële beveiliging.
En bovenop een handgeschreven briefje:
Niets hoeft vandaag.
Ik ging zitten en begon te huilen.
Niet om het grote verraad.
Om die zin.
In het huis van Barbara en Richard moest alles altijd vandaag.
Nu tekenen.
Nu betalen.
Nu Daan helpen.
Nu dankbaar zijn.
Nu niet zeuren.
Niets hoeft vandaag voelde bijna illegaal.
De naamskwestie kwam twee weken later.
Mijn advocaat, meester Nora Bekkering, legde de opties uit.
"U kunt juridisch uw oorspronkelijke naam herstellen: Elise Victoria van Zandt. U kunt Sanne de Vries blijven, eventueel met toevoeging. U kunt ook gefaseerd werken: voorlopig Sanne, later Elise."
"Kan ik beide zijn?"
"Juridisch ingewikkelder. Menselijk logisch."
Victoria zei niets.
Ze had inmiddels geleerd dat stilte soms de hoogste vorm van liefde was.
Ik keek naar het raam.
Wie was Sanne?
De naam op mijn diploma's.
De naam onder forensische rapporten.
De naam die ik gebruikte toen ik de hypotheek van mijn ontvoerders betaalde.
De naam die Eva in de traumakamer beschermde.
Wie was Elise?
De naam op de babykamer.
De naam in Alexanders brieven.
De naam die Victoria dertig jaar niet begraven kreeg.
"Voor nu," zei ik langzaam, "Sanne Elise van Zandt."
Victoria sloot haar ogen.
Niet om te sturen.
Om te overleven.
"Dat kan," zei Nora.
"En De Vries?"
Mijn mond werd droog.
"Niet meer."
Die avond keek ik in de spiegel.
Sanne Elise van Zandt keek terug.
Zelfde groene ogen.
Zelfde litteken boven mijn wenkbrauw van toen Daan mij als kind van de trap duwde en Barbara zei dat ik onhandig was.
Zelfde gezicht.
Ander bewijs.
Ik fluisterde mijn nieuwe naam.
Eerst klonk hij als iemand anders.
Daarna als een kamer waarvan de deur openging.