DEEL 7 — WAT IK ZELF FOUT HAD GEDAAN
Therapie was nooit iets voor mij geweest.
Dat zei ik altijd.
Mensen die praten omdat ze niet werken.
Emma haatte die houding.
‘Arend, emoties lossen niet op omdat jij om vier uur ’s ochtends een vrachtwagen start.’
Na haar dood werkte ik meer.
Niet minder.
Toen familiecrisis uit de hand liep, zei bedrijfsarts:
‘U bent achtenzestig, draait nachten en slaapt op kantoor.’
‘Ik heb altijd zo gewerkt.’
‘Dat is geen gezondheidsargument.’
Mijn bloeddruk was te hoog.
Mijn knie versleten.
Ik had twee keer bijna in slaap achter stuur gezeten.
Voor het eerst vroeg iemand:
‘Waarom staat u nog steeds zelf in vriesloods?’
Ik had antwoord.
‘Omdat niemand het zo goed doet.’
Hij glimlachte.
‘Dat is geen antwoord.’
Werk was de plek waar ik controle had.
Thuis niet.
Toen Emma ziek werd kon ik haar niet redden.
Dus controleerde ik voorraad.
Routes.
Marges.
Temperaturen.
Toen ze stierf controleerde ik nóg meer.
Julian had gelijk over één ding.
Ik had geld vaak als liefde gebruikt.
School gemist?
Nieuwe fiets.
Afstuderen gemist vanwege leverancier?
Weekend weg.
Zijn huwelijk?
Ik betaalde groot deel receptie.
Toen Valerie salon begon?
€30.000 ‘startlening’ die ik nooit terugvroeg.
Ik had mensen geleerd dat ik afwezigheid compenseerde met geld.
Daarmee had ik geen vervalsing veroorzaakt.
Geen vernedering verdiend.
Maar ik had wel grond gemaakt waarop grenzen vaag werden.
Die verantwoordelijkheid nam ik.
Niet meer.