DEEL 13 — De rechtszaal van Heldhaftig
De strafzaak duurde drie weken.
De publieke belangstelling was enorm.
Niet omdat Nederland geen fraude kende.
Maar omdat fraude met helden mooier verpakt is en lelijker ruikt wanneer de verpakking scheurt.
Mijn vader zat in de zaal alsof hij voorzitter bleef van iets.
Hij maakte notities.
Fluisterde met zijn advocaat.
Keek getuigen strak aan.
Alleen bij Laura keek hij weg.
Zij getuigde op dag vier.
Ze vertelde over haar uitzending.
Over de explosie.
Over de thuiskomst die geen thuiskomst was omdat haar huis vol trappen stond en haar been niet meer deed wat het vroeger deed.
Over de brief van Stichting Heldhaftig waarin hulp werd toegezegd.
Over maanden wachten.
Over schaamte.
Over de dag dat Thijs haar dossier aannam en zei:
‘Uw aanvraag is niet ingetrokken. Uw vertrouwen wel.’
Mijn vader's advocaat probeerde haar te laten zeggen dat de stichting “in brede zin” ook veel goeds had gedaan.
Laura keek hem aan.
‘Een dief die eerst iemand de weg wijst, blijft een dief wanneer hij daarna diens rolstoel verkoopt.’
De rechter tikte niet eens streng.
Hij liet de zin hangen.
Ruben getuigde op dag negen.
Hij bekende zijn eigen rol.
De documenten die hij ondertekende.
De momenten waarop hij zweeg.
De druk van mijn vader.
De schuld.
Zijn oude verslaving.
Mijn vader keek hem aan zonder knipperen.
Ruben keek terug.
Trillend.
Maar terug.
Mijn moeder getuigde op dag twaalf.
Zij droeg geen sieraden.
Ze noemde de broche zelf.
Ze noemde de gala’s.
Ze noemde de e-mails.
Ze zei:
‘Ik heb mijn geweten jarenlang uitbesteed aan mijn man.’
De officier vroeg:
‘En nu?’
Mijn moeder antwoordde:
‘Nu wil ik het terug, al is het beschadigd.’
Ik huilde toen.
Niet omdat ik haar vergaf.
Omdat ik voor het eerst mijn moeder hoorde spreken zonder mijn vader in haar stem.
Thijs getuigde ook.
Mijn vader's advocaat probeerde hem neer te zetten als opportunistische schoonzoon die via mij toegang kreeg tot de stichting en uit rancune een familie vernietigde.
Thijs bleef rustig.
‘Meneer Van Bergen noemde mij op mijn trouwdag een niemand. Dat was zijn recht. Maar de mensen die hij met zijn stichting in de steek liet, waren nooit niemand. Daarom zit ik hier.’
Toen keek hij naar mijn vader.
‘Niet als schoonzoon. Als advocaat.’
En ik dacht:
Daarom koos ik hem.