„Volgens de datum op de achterkant drie weken voordat papa stierf.” Ik voelde een knoop in mijn maag. „Wie heeft ze gemaakt?” „Geen idee.” Daniel draaide zijn telefoon om. „Maar papa schreef achterop één zin.” Ik las de woorden. **Als deze vrouw ooit bij mijn begrafenis verschijnt, weet dan dat ze de waarheid kent.** Mijn hart sloeg een slag over. „Daniel…” Hij keek me aan. „Wat?” „Waarom heeft papa jou gevraagd deze jurk te dragen?” Mijn zoon antwoordde niet. In plaats daarvan wees hij naar de sleutel die nog steeds in mijn hand lag. „Omdat er nog één ding in die opslagruimte ligt.” „Wat?” „Een tweede doos.” „En waarom heb je die niet meegenomen?” Daniel keek me met betraande ogen aan. „Omdat papa zei dat jij erbij moest zijn wanneer we hem openden.” Ik staarde hem aan. „Wanneer kunnen we gaan?” „Nu.” We reden zwijgend door de donkere straten. Geen van beiden wist wat ons te wachten stond. Toen we uiteindelijk bij de oude opslagloods aankwamen, was het gebouw verlaten en volledig donker. Daniel stak de sleutel in het slot. De deur klikte open. Binnen hing een muffe geur van stof en vocht. Onze voetstappen galmden door de lege gang. Achterin stond dezelfde metalen kast waar Daniel over had verteld. Hij schoof hem opzij. Daar was een kleine houten deur. Ik keek naar hem. „Je zei dat je de tweede doos hier had gezien.” „Ja.” Hij bukte zich. Maar de plek achter de kast was leeg. Geen doos. Geen documenten. Niets. Daniel werd bleek. „Dat kan niet.” Ik keek om me heen. „Weet je zeker dat dit de juiste plek is?” Hij knikte. Toen zag ik iets op de vloer liggen. Een klein wit envelopje. Ik raapte het op. Op de voorkant stond met Richards handschrift: **Voor Linda. Alleen openen als Daniel erbij is.** Mijn handen begonnen opnieuw te trillen. Ik maakte de envelop voorzichtig open. Er zat slechts één vel papier in. Ik las de eerste zin. En toen voelde ik mijn benen bijna bezwijken. **Linda, als je dit leest, betekent het dat ik er niet meer ben en dat Victor inmiddels weet dat Daniel en jij de waarheid kennen.** Ik keek geschrokken naar Daniel. Hij keek naar de deur. Op datzelfde moment hoorden we buiten een auto stoppen. Daarna volgden voetstappen. Langzame, zware voetstappen. Iemand kwam rechtstreeks naar de opslagruimte. Daniel pakte mijn hand. „Mama…” De deurklink begon langzaam naar beneden te bewegen. Toen fluisterde hij: „Volgens mij weet hij dat we hier zijn.”
Mijn zoon verscheen in een rood damesjurkje op de begrafenis van zijn vader…