Op Prinsjesdag lijkt alles te kloppen: bewindspersonen met kleurrijke jurken, rokkostuums en kekke hoedjes, de koning in de Glazen Koets, en de minister van Financiën die traditiegetrouw het koffertje met de begroting naar de Tweede Kamer brengt. Politici pronken met miljarden extra voor zorg, defensie, klimaat, wonen en kinderopvang. De plannen liggen klaar en zijn financieel gedekt.
Maar een paar maanden later, op de derde woensdag in mei (vandaag dus), volgt een minder feestelijke dag: Verantwoordingsdag. Dan legt het kabinet uit wat er van die plannen terecht is gekomen.
De afgelopen jaren bleek dat telkens minder dan beloofd: in 2024 bleef bijvoorbeeld 17 miljard euro op de plank liggen,* in 2023 zo’n 15 miljard. Niet omdat de overheid zuinig was, maar omdat plannen niet volledig zijn uitgevoerd. Dit wordt ook wel ‘onderuitputting’ genoemd. Met zichtbare gevolgen: wachtlijsten in de zorg en kinderopvang, vertraging in de energietransitie, achterstanden bij onderhoud aan infrastructuur, bedrijven die wachten op aansluiting op het elektriciteitsnet, en minder woningen dan gepland.
De afgelopen jaren hebben verschillende instanties en commissies geprobeerd te verklaren waarom er zo’n gat zit tussen de begroting en de realiteit.* Eén belangrijke verklaring is opvallend simpel: er zijn te weinig mensen om al die plannen waar te maken. Het kabinet kan wel geld reserveren voor extra zorg, defensie, woningbouw of klimaatbeleid, maar daarmee zijn de benodigde verpleegkundigen, technici, leraren en installateurs nog niet beschikbaar.
We willen te veel tegelijk in een krappe arbeidsmarkt
Of zoals de Algemene Rekenkamer het formuleert:* ‘Te veel tegelijkertijd willen in een te krappe arbeidsmarkt leidt op korte termijn tot meevallende uitgaven.’ De politiek wil veel, maar het ontbreekt aan een realistisch plan om de benodigde arbeid te verwezenlijken, en vooral aan keuzes over wat we dan juist minder gaan doen.
Dat is problematisch, want er bestaat geen onuitputtelijke reserve aan arbeidskrachten. Iedere extra technicus voor defensie is er één minder voor de energietransitie of woningbouw. Dat betekent dat we keuzes moeten maken: waar willen we de beroepsbevolking voor inzetten? Dat gold altijd al, maar zeker nu, in een krappe en vergrijzende arbeidsmarkt.* Geen keuzes maken betekent dat plannen vastlopen in de uitvoering.
Neem de plannen om defensie uit te breiden. Daarvoor zijn niet alleen militairen nodig, maar ook technici, IT’ers, medici en logistiek personeel. Uit een verkenning van Randstad blijkt dat méér dan de helft* van de cruciale defensiefuncties ‘knelpuntberoepen’ zijn: functies waarvoor de arbeidsmarkt (zeer) krap is en waarbij geen verlichting, of zelfs verdere verkrapping, wordt verwacht. Het is dan ook niet vreemd dat de afgelopen jaren een deel van het extra defensiebudget niet werd uitgegeven.
Zonder keuzes over waar we minder technici en IT’ers voor willen inzetten, is de kans groot dat plannen niet volledig uitvoerbaar blijken. Om zulke keuzes te kunnen maken, moet eerst duidelijk zijn hoe verschillende politieke plannen samen een beroep doen op dezelfde schaarse arbeidskrachten.