„Dat weet hij al.”
Stilte.
„Hoe?”
Ik vertelde haar wat er was gebeurd.
De rit.
De beschuldiging.
De klap.
De bushalte.
Toen ik klaar was, klonk Sophies stem anders.
„Maak foto’s van je lip.”
„Dat hoeft niet.”
„Jawel.”
Ik keek naar Eleonora.
Zij knikte.
Dus maakte Pieter foto’s.
Niet één.
Meerdere.
Van mijn lip.
Mijn wang.
Mijn natte kleding.
Zelfs van de modder op mijn schoenen.
„Bewijs,” zei Eleonora.
Ik haatte dat woord.
Maar ik begon te begrijpen waarom ik het nodig had.
Een uur later trilde de telefoon.
Daan.
Ik keek naar het scherm.
„Niet opnemen,” zei Sophie.
Eleonora schudde haar hoofd.
„Wel opnemen.”
„Mijn advocaat zegt dat ik niet moet opnemen.”
„Dan heeft je advocaat gelijk.”
Ze glimlachte.
„Maar zet hem op luidspreker en laat haar meeluisteren.”
Sophie zuchtte.
„Ik begin te begrijpen waarom mevrouw De Wit miljardair is.”
Ik nam op.
„Claire.”
Daans stem.
Geen begroeting.
Geen excuses.
„Waar ben je?”
„Veilig.”
„Waar?”
„Dat gaat je niets aan.”
„Kom naar huis.”
Ik lachte.
Werkelijk lachte.
„Je hebt me veertig minuten buiten Amsterdam zonder geld en zonder telefoon achtergelaten.”
„Je moest kalmeren.”
„Je sloeg me.”
Stilte.
„Dat had niet moeten gebeuren.”
Geen sorry.
Alleen dat.
„Waar is mijn portemonnee?”
„Hier.”
„En mijn telefoon?”
„Ook hier.”
„Geef ze morgen aan mijn advocaat.”
Zijn stem werd kouder.
„Waarom is Sophie van Leeuwen hierbij betrokken?”
Daar was het.
Niet bezorgdheid.
Angst.
„Misschien moet je dat zelf bedenken.”
„Claire.”
„Goedenacht, Daan.”
„Wacht.”
Ik wilde ophangen.
Toen zei hij:
„Je begrijpt niet waar je mee bezig bent.”
Eleonora stak haar hand uit.
Ik gaf haar de telefoon.
„Meneer Van der Meer?”
Daan zweeg.
„Wie is dit?”
„Eleonora de Wit.”
De stilte die volgde was anders.
Ik zag het aan Eleonora’s glimlach.
Daan kende haar.
„Mevrouw De Wit.”
Plotseling was zijn stem beleefd.
„Claire is bij u?”
„Mijn kleindochter is bij mij.”
Ik staarde haar aan.
„Uw…”
„Je hebt me prima verstaan.”
Eleonora leunde achterover.
„En als je verstandig bent, meneer Van der Meer, slaap je vannacht heel slecht.”
Ze hing op.
Ik keek haar verbijsterd aan.
„Waarom doet u dit?”
Ze gaf de telefoon terug aan Pieter.
„Omdat je man morgen iets belangrijks moet leren.”
„Wat?”
„Dat de vrouw die hij langs de weg achterliet niet langer alleen is.”
De volgende ochtend begon om halfzeven.
Eleonora had kleding voor me laten brengen.
Eenvoudige donkerblauwe broek.
Witte blouse.
Lange wollen jas.
Geen luxe jurk.
Geen juwelen.
„Je gaat geen toneelstuk opvoeren,” zei ze.