Niemand antwoordde meteen.
Dat was het eerste foutje dat ze maakten.
Maarten keek naar zijn moeder.
Zij keek naar de rode map.
Ik zag het.
Een halve seconde.
Meer had ik niet nodig.
‘Wat staat er nog meer in die map?’
‘Niets wat jou nu aangaat.’
Ik duwde mezelf met mijn hand tegen een keukenkastje omhoog.
Maarten deed een stap naar voren.
‘Ga zitten.’
‘Laat me die map zien.’
‘Noor.’
‘Laat. Die. Map. Zien.’
Liesbeth trok hem naar zich toe.
Te snel.
Een vel papier gleed eruit.
Het landde onder de tafel.
Bovenaan zag ik het logo van een advocatenkantoor uit Utrecht.
Daaronder één regel.
Concept verzoek beschermingsbewind en mentorschap.
Mijn maag trok samen.
Niet van de zwangerschap.
Van begrip.
‘Jullie willen me onder bewind laten stellen?’
‘Niet zo dramatisch,’ zei Liesbeth.
Ik keek haar aan.
Ze droeg een beige vest.
Pantoffels.
Parelknopjes in haar oren.
Ze leek op een vrouw die bij de HEMA servetten zou vergelijken.
‘Jullie willen mijn financiën overnemen.’
‘Tijdelijk.’
‘Waarom?’
Maarten wreef over zijn gezicht.
‘Omdat je niet stabiel bent.’
‘Volgens wie?’
‘Volgens verschillende mensen.’
‘Welke mensen?’
Hij zweeg.
Ik hoorde de regen tegen de ramen.
Verder niets.
Geen auto.
Geen sirene.
Geen Daan.
Ik wist niet hoe snel hij kon zijn.
Hij woonde in Breukelen, iets meer dan tien minuten rijden.
Als hij thuis was.
Als hij zijn telefoon had gehoord.
Als hij begreep wat het signaal betekende.
Mijn horloge gaf geen bevestiging.
Alleen verzonden.
‘Je hebt de afgelopen maanden vreemde beslissingen genomen,’ zei Liesbeth.
‘Zoals?’
‘Je wilde minder werken.’
‘Ik ben zwanger.’
‘Je hebt geld naar een aparte rekening overgemaakt.’
‘Mijn salaris.’
‘Je hebt Maarten de toegang tot je zakelijke account geweigerd.’
Ik keek naar mijn man.
‘Dat is mijn bedrijfsrekening.’
‘Wij zijn getrouwd.’
‘Dat maakt jou geen mede-eigenaar.’
Zijn kaak spande zich.
Daar zat het echte probleem.
Niet mijn emoties.
Niet mijn zwangerschap.
Toegang.
Ik dacht aan de afgelopen maanden.
Aan Maarten die steeds vaker vroeg naar mijn DigiD.
Aan Liesbeth die tijdens het eten informeerde of het kantoor na de geboorte ‘eigenlijk nog wel haalbaar’ was.
Aan de huisartsafspraak die ineens in mijn agenda stond terwijl ik die niet zelf had gemaakt.
Aan een formulier van de bank dat Maarten zogenaamd per ongeluk op onze printer had laten liggen.
Een verhoging van de hypotheek.
Ik had hem ernaar gevraagd.
Hij had gelachen.
‘Oude conceptberekening.’
Ik had het geloofd.
Omdat vertrouwen comfortabeler was dan argwaan.
Dat was mijn fout geweest.
Niet dat ik hem vertrouwde.
Dat ik waarschuwingssignalen bleef vertalen naar iets onschuldigs.
‘Hoeveel?’ vroeg ik.
Maarten keek me aan.
‘Wat?’