‘Nee.’
Ik had mijn uniform niet aangetrokken. Ik droeg een donkergrijze jurk en platte schoenen. Op mijn schoot lag een map met afschriften. Er waren geen officieren naast me. Er was geen legervertegenwoordiger in de zaal. De zaak ging over geld, eigendom en een vervalste handtekening. Zo hoorde het ook.
De rechter bevestigde dat mijn hypotheekrecht geldig bleef en verbood de verkoop aan Viviennes bedrijf. De woning kon alleen verkocht worden nadat mijn vordering was voldaan of met mijn schriftelijke toestemming. Dat betekende niet dat ik het huis opeiste. Ik wilde mijn geld terug en een einde aan de leugen.
Na de zitting liep Daan naast me de gang in.
‘Je hebt gekregen wat je wilde.’
‘Ik wilde dat mijn handtekening niet gestolen werd.’
‘En de kinderen? Denk je dat dit goed voor ze is?’
‘Ze zullen later weten dat hun moeder niet tekende voor iets wat ze niet had afgesproken.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Je maakt alles zo koud.’
‘Nee. Ik maak het duidelijk.’
In oktober kwam het moment waarop ik terugkeerde naar Leiden. Niet in een colonne en niet om een familie te intimideren. De politie had een huiszoeking gepland nadat de accountant nieuwe stukken had overgedragen. De Marechaussee had die dag een apart gesprek met mij op de kazerne over de poging om mijn dienstrooster op te vragen. Mijn commandant had toestemming gegeven dat twee senior officieren met mij meegingen om mijn militaire bezittingen en documenten op te halen, omdat ik na mijn verlof weer naar een officiële functie terugkeerde. Zij waren getuigen en collega’s. Geen privéleger.
De twee voertuigen stopten voor het huis aan de gracht. Achter ons kwam een politiewagen aan. De agenten gingen eerst naar binnen. Ik wachtte op de stoep tot ze me het teken gaven.
Henk stond in de hal. Daan stond achter hem, bleek en ongeschoren. Vivienne zat aan de keukentafel. Er lagen twee dozen naast haar stoel.
Toen ik binnenkwam, viel Daan stil.
‘Wat doen zij hier?’ vroeg hij.
‘Ze zijn hier voor mijn spullen,’ zei ik.
Een van de officieren bleef bij de voordeur staan. De andere wachtte buiten bij de auto. De politie legde uit dat zij de woning doorzocht in verband met de aangifte en dat niemand documenten mocht meenemen die als bewijs waren veiliggesteld.
Daan keek naar mijn uniformjas over mijn arm. Op de schouder zaten de sterren. Hij zag ze pas toen.
‘Kolonel?’ zei hij.
‘Ja.’
‘Sinds wanneer?’
‘Al vier jaar.’
Hij keek naar Henk, daarna naar mij. ‘Je hebt me dat nooit verteld.’
‘Ik heb je verteld dat ik officier was.’
‘Niet dit.’
‘Je hebt nooit gevraagd wat mijn werk precies inhield. Je vroeg vooral wanneer ik weer naar huis kwam.’
De woorden bleven tussen ons hangen. Hij keek naar de twee officieren, naar de agenten die de gang inliepen en toen weer naar mij.
‘Je hebt ze hierheen gehaald om me bang te maken.’
‘Nee,’ zei ik. ‘De politie is hier vanwege de documenten. Mijn collega’s zijn meegekomen omdat ik mijn spullen ophaal en daarna terugga naar mijn werk.’
‘Je wilde dat ik dit zag.’
‘Ik wilde dat jij eindelijk zag dat ik niet hulpeloos ben.’
Henk ging op een stoel zitten. Hij hield zich vast aan de armleuning.
Een agent kwam uit de werkkamer met een map. ‘We nemen deze administratie mee voor onderzoek.’
Daan keek naar de map. ‘Daar staat niets in.’
‘Dat bepaalt het onderzoek,’ zei de agent.