‘Natuurlijk.’
Ze streek met haar vingers over Mila’s muts. ‘Mijn telefoon. Ik wil weten wat Ria precies heeft gezegd.’
‘Dat kan later.’
‘Nee,’ zei ze. ‘Ik wil niet meer dat iemand mij vertelt dat ik overdrijf zonder dat ik mijn eigen woorden terug kan lezen.’
Ik gaf haar telefoon. Ze scrolde door het gesprek en stopte bij een bericht dat ik nog niet had gezien.
Ria, 15.17: Ik heb de verloskundige niet gebeld. Dat wilde je toch ook niet, want dan komt er weer iemand in huis.
Noor legde de telefoon op haar buik. Haar ogen bleven op het scherm gericht.
‘Je had de verloskundige al gevraagd te komen?’ zei ik.
‘Vanmorgen. Ik wilde dat ze naar de wond keek. Ik had pijn en ik voelde me rillerig.’ Ze slikte. ‘Je moeder zei dat ze haar had afgebeld.’
‘Wat?’
‘Ze zei dat ze met de verloskundige had gesproken en dat die vond dat het kon wachten. Ik dacht dat ze dat voor mij had geregeld.’
Op de afdeling klonk een piep van een infuuspomp. Iemand reed een kar over de gang. Verder zei niemand iets.
‘Had je de verloskundige zelf kunnen bellen?’ vroeg ik, en meteen hoorde ik hoe die vraag klonk.
Noor keek me aan. ‘Ik had kunnen bellen. Ik dacht alleen dat ik dat niet hoefde te doen, omdat je moeder zei dat ze het al had gedaan.’
Ik voelde mijn gezicht warm worden. ‘Het spijt me.’
‘Jij was er niet.’
‘Ik had haar niet alleen met mijn moeder moeten laten.’
‘Dat wist je niet.’
‘Ik had haar moeten geloven toen ze zei dat ze pijn had.’
Ze draaide haar hoofd naar de muur. ‘Ja.’
Dat ene woord was stiller dan een verwijt. Het bleef langer hangen.
De ingreep duurde minder dan een uur. Er was inderdaad weefsel achtergebleven. De arts verwijderde het en nam materiaal af voor onderzoek. Noor kwam slaperig terug op de afdeling. Haar temperatuur begon in de nacht langzaam te dalen.
Ik zat naast haar bed met Mila tegen mijn borst. Om halfdrie vroeg Noor om water. Ze dronk drie kleine slokjes en legde het glas terug.
‘Heb je je moeder nog gesproken?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Ze zal zeggen dat ik haar verkeerd begrepen heb.’
‘Dan vraag ik haar om dat op papier te zetten.’
Een korte glimlach trok over haar mond, maar verdween weer.
De volgende ochtend belde mijn moeder. Ik nam niet op. Ze stuurde een bericht.
Ik heb altijd voor jullie gezorgd. Laat je vrouw je niet tegen mij opzetten.
Ik liet het aan Noor zien. Ze las het twee keer en gaf mijn telefoon terug.
‘Dat is het ergste,’ zei ze. ‘Ze denkt echt dat ze voor ons gezorgd heeft.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Tot die week had mijn moeder vrijwel dagelijks bij ons over de vloer gekomen. Ze had de sleutel van ons rijtjeshuis in Utrecht. Ze deed boodschappen, vouwde de was op en nam soms eten mee. Noor had haar daar nooit om gevraagd, maar ze had ook nooit gezegd dat het niet welkom was. Ik zag de volle koelkast en de stapel schone hydrofiele doeken. Ik had daar gemak in gezien. Noor had er soms in moeten passen.
De eerste twee dagen na de bevalling was mijn moeder behulpzaam geweest. Ze had soep opgewarmd en het wiegje opgemaakt. Toen de kraamverzorgende vertrok, bleef ze. Ze zei dat Noor rust nodig had. Ze zei ook dat het fijn was als ze Mila af en toe kon vasthouden.
Noor had haar laten doen. Ik had gedacht dat dat vanzelf goed zat.
De verloskundige kwam die ochtend langs in het ziekenhuis. Ze vertelde dat ze maandag op verzoek van Noor een huisbezoek had ingepland. De afspraak was later die ochtend telefonisch afgezegd door iemand die zich had voorgesteld als mijn moeder.
‘Ze zei dat mevrouw geen klachten meer had,’ zei de verloskundige. ‘Ik heb dat opgeschreven. Ik heb niet doorgevraagd, omdat ik dacht dat het met u besproken was.’
Noor keek naar haar handen. ‘Dat was het niet.’
De verloskundige bood haar excuses aan. Ze noteerde de gang van zaken in het dossier en vertelde dat Noor bij nieuwe klachten rechtstreeks de dienstdoende verloskundige kon bellen. Geen tussenpersoon. Geen boodschap via familie.
Toen ze weg was, vroeg Noor mij of ik de reservesleutel terug wilde.
‘Ik haal hem vandaag op.’
‘Niet alleen de sleutel,’ zei ze. ‘Ook de vanzelfsprekendheid waarmee ze binnenkomt.’
Ik knikte.
Die middag kwam mijn moeder toch naar het ziekenhuis. Ze had een plastic tas met schone kleding en een doos beschuit meegenomen. De verpleegkundige liet haar pas binnen nadat Noor had gezegd dat ze bezoek wilde.
Mijn moeder zette de tas op een stoel. ‘Ik ben blij dat je opknapt.’
Noor zei niets.
‘Ik dacht oprecht dat het niet nodig was om een arts te bellen,’ ging mijn moeder verder. ‘Je wilde zelf ook geen gedoe.’
‘Ik heb je gevraagd om de verloskundige te bellen,’ zei Noor.
‘Je vroeg of ik haar wilde laten weten dat je wat pijn had.’
‘Ik vroeg of ze naar mijn wond kon kijken.’
‘Je zei dat je koortsig was. Dat is niet hetzelfde als zeggen dat je in gevaar bent.’
‘Ik had 39,6.’
Mijn moeder keek naar mij. ‘Je ziet hoe ze het brengt. Alsof ik haar iets heb aangedaan.’
‘Je hebt de afspraak afgezegd,’ zei ik.
‘Omdat Noor zei dat het beter ging.’
Noor pakte haar telefoon van het nachtkastje. Ze hield het scherm niet omhoog. Ze las alleen het bericht voor.
‘“Ik heb de verloskundige niet gebeld. Dat wilde je toch ook niet, want dan komt er weer iemand in huis.” Heb je dat geschreven?’