‘U ziet eruit alsof u pijn hebt.’
Het meisje stond in de deuropening van de kinderkamer met een pluchen vos onder haar arm. Zes jaar, misschien zeven. Donker haar, een scheve paardenstaart en grijsblauwe ogen die me langer aankeken dan volwassenen doorgaans durfden.
‘Wilt u een knuffel?’
In mijn rechterhand zat de echofoto die mijn verloofde een uur eerder op tafel had gegooid. Mijn vingers hadden het papier zo hard vastgeklemd dat er een witte vouw dwars door het hoofdje van de baby liep.
‘Nee,’ zei ik.
Het meisje knikte alsof ze een zakelijke mededeling had gekregen.
‘Dat zegt mijn moeder ook als ze er juist een nodig heeft.’
Ze zette de vos op de commode en liep op me af. Ik was drieënveertig, eigenaar van De Wit Havenlogistiek en volgens twee landelijke kranten de gevaarlijkste man die nooit veroordeeld was. Bestuurders namen mijn telefoontjes aan tijdens begrafenissen. Mannen die mij bedrogen, verhuisden meestal zonder adres achter te laten.
Maar dat kind sloeg haar dunne armen om mijn middel alsof mijn reputatie een jas was die ze niet kon zien.
Mijn hand bleef enkele seconden boven haar hoofd hangen. Toen legde ik die voorzichtig tegen haar haar.
In de gang klonken haastige voetstappen.
‘Noor?’
Een vrouw verscheen in de deuropening. Ze droeg het grijze uniform van het schoonmaakbureau dat mijn villa bij Breukelen sinds zes weken van personeel voorzag. Haar haar zat onder een doek, haar handen waren rood van het schoonmaakmiddel.
Ze keek eerst naar Noor. Daarna naar mij.
Het dienblad dat ze droeg, kantelde. Een koffiekopje gleed eraf en brak op de eikenhouten vloer.
Ik herkende niet meteen haar gezicht.
Ik herkende het smalle litteken op haar linkerpols.
Zeven jaar eerder had die hand een opgevouwen theedoek tegen het kogelgat onder mijn ribben gedrukt terwijl ik doodbloedde op de vloer van een leegstaand kantoor in de Waalhaven.
‘Eline,’ zei ik.
Ze werd zo bleek dat de sproeten op haar neus donkerder leken.
Noor liet me los en keek van haar moeder naar mij.
‘Kennen jullie elkaar?’
Eline Vermeer antwoordde niet. Ze bukte zich om de scherven op te rapen, maar haar vingers trilden te hard.
‘Laat liggen,’ zei ik.
‘Het spijt me, meneer De Wit.’
‘Noem me geen meneer De Wit.’
Ze keek op. In haar blik zat niet alleen angst. Er zat woede onder, oud en zorgvuldig opgeborgen.
‘Noor, ga naar de keuken,’ zei ze.
‘Maar mama—’
‘Nu.’
Noor pakte haar vos en liep weg. Bij de deur keek ze nog eenmaal om. Dezelfde frons als mijn vader. Dezelfde kleine verticale lijn tussen haar wenkbrauwen die ik elke ochtend in de spiegel zag.
Ik keek naar Eline.
Daarna naar het kind.
Mijn maag trok samen.
‘Hoe oud is ze?’
Eline zette het dienblad op de grond.
‘Dit is niet de plek.’
‘Hoe oud?’
‘Zes.’
‘Wanneer wordt ze zeven?’
Ze drukte haar lippen op elkaar.
‘Over drie maanden.’
Achter ons stond de kinderkamer die ik voor een ander kind had laten maken. Saliegroene muren. Een handgemaakt ledikant uit Utrecht. Een wollen kleed waarvoor Vivienne bijna drieduizend euro had betaald omdat gewone wol volgens haar “armoedig aanvoelde”.
Ik legde de verkreukelde echofoto op de commode.
‘Wie is haar vader?’
Eline keek naar de foto en begreep onmiddellijk wat er gebeurd moest zijn.
‘Dat had je zeven jaar geleden kunnen vragen.’
Die avond begon met Vivienne aan de lange tafel in de eetkamer. Ze had haar verlovingsring afgedaan en naast haar glas gelegd. Buiten streek regen over de ramen en lagen de lichtjes van de overburen gebroken op het zwarte water van de Vecht.
‘De baby is van Daan,’ had ze gezegd.
Daan de Wit was mijn neef, financieel directeur en sinds mijn twintigste mijn rechterhand. Hij wist waar mijn geld vandaan kwam, wie voor mij loog en welke containers in Rotterdam nooit door de gewone administratie gingen.
Ik had Vivienne niet geslagen. Ik had niet geschreeuwd. Ik had alleen gevraagd hoelang.
‘Bijna een jaar.’
‘En de zwangerschap?’
‘Zestien weken.’
‘Dus terwijl ik hier een wieg in elkaar liet zetten, lag jij bij hem.’
Ze keek naar mijn handen.
‘Jij hebt die wieg niet in elkaar gezet. Daar betaalde je iemand voor.’
Het was een typisch antwoord van Vivienne. Zelfs tijdens een bekentenis wist ze precies waar ze het mes moest plaatsen.
‘Waarom vertel je het nu?’
‘Omdat Daan en ik weggaan.’
‘Waarheen?’