‘Dat doet er niet toe.’
‘Alles doet ertoe zodra iemand van mij steelt.’
Ze schoof haar stoel naar achteren. Heel langzaam, alsof ze tegenover een wild dier zat.
‘Ik ben geen bezit, Maarten.’
‘Dat heb ik nooit gezegd.’
‘Je hoefde het niet te zeggen. In dit huis hoeft niemand iets te zeggen. Iedereen weet wat er gebeurt als jij stil wordt.’
Daar had ze gelijk in. Mijn stilte had mensen jaren gehoorzaam gehouden. Nu zat ik ermee aan tafel terwijl mijn verloofde de vader van haar kind een verdieping hoger had verruild voor mijn neef.
‘Ga,’ zei ik.
Ze had haar tas al klaarstaan in de hal.
Pas toen de voordeur dichtviel, ging ik naar de kinderkamer. Daar vond Noor me. En enkele minuten later stond de vrouw die ik zeven jaar had gezocht tegenover mij.
Eline keek naar de gebroken kop op de vloer.
‘Noor is jouw dochter.’
De woorden kwamen kalm. Juist daardoor deden ze meer pijn.
Ik ging op de rand van het ledikant zitten. Het hout kraakte onder mijn gewicht.
‘Bewijs het.’
Ze haalde haar telefoon uit haar uniform en opende een beveiligde map. Daarin stond een scan van een vaderschapsonderzoek van een laboratorium in Nieuwegein, gedateerd acht maanden eerder.
Waarschijnlijkheid van biologisch vaderschap: meer dan 99,99 procent.
Mijn naam stond erboven.
‘Hoe ben je aan mijn DNA gekomen?’
‘Een glas tijdens de receptie van je bedrijf. Ik heb het meegenomen voordat de cateraar afruimde.’
‘Waarom werkte je daar?’
‘Omdat je op brieven niet reageerde.’
‘Welke brieven?’
Ze lachte één keer. Kort en zonder plezier.
‘Daar gaan we dus.’
Eline ging op de vensterbank zitten, ver genoeg bij me vandaan om duidelijk te maken dat nabijheid niet hetzelfde was als vertrouwen.
Zeven jaar eerder was zij negenentwintig en verpleegkundige op de spoedeisende hulp van het Erasmus MC. Na een nachtdienst was ze bij haar broer Sander langsgegaan, die als beveiligingsmonteur werkte in een kantoorpand aan de Waalhaven. Daar had ze mij achter een archiefkast gevonden, met een kogel in mijn zij en bloed in mijn schoenen.
Ze had geen ambulance gebeld omdat ik haar pols had vastgegrepen en gezegd dat de schutter bij de politie meeluisterde. In plaats daarvan had ze de wond afgedrukt, Sander gebeld en me naar diens leegstaande vakantiewoning bij Ouddorp gebracht.
Zes weken lang verzorgde ze me daar.
Zes weken waarin ik voor het eerst sinds mijn jeugd geen bewakers om me heen had. Geen chauffeurs. Geen mannen die lachten voordat ik klaar was met praten. Alleen Eline, die mijn verband verwisselde en me elke ochtend vertelde dat koffie geen ontbijt was.
Op de laatste avond sliepen we samen.
De volgende ochtend kreeg ik een foto op mijn telefoon. Eline voor het ziekenhuis, genomen door een telelens. Daaronder stond één zin: Als je haar nog één keer ziet, begraven we haar broer eerst.
Ik vertrok zonder afscheid.
‘Ik heb je geprobeerd te beschermen,’ zei ik.
‘Door me als afval achter te laten?’
‘Er was een dreiging.’
‘Je had één bericht kunnen sturen.’
‘Dan wisten ze dat ik contact zocht.’
Ze boog voorover en trok een kleine envelop uit haar schoen. Er stonden vouwen in, alsof ze hem vaak had geopend.
Binnenin zaten kopieën van drie brieven. Allemaal aan mij gericht. In de eerste schreef ze dat ze zwanger was. In de tweede dat Noor geboren was. In de derde stond alleen: Ik vraag niet om geld. Ik vraag of je haar ooit wilt kennen.
Op iedere brief stond met blauwe pen één woord.
Afgehandeld.
Ik kende het handschrift.
Daan.
‘Waar heb je deze gevonden?’
‘In Sanders opslagbox. Na zijn dood.’
Ik keek op.
‘Je broer is dood?’
‘Vorig jaar. Officieel reed hij met zijn auto de Nieuwe Waterweg in. De politie noemde het een ongeval.’
‘En jij gelooft dat niet.’
‘Sander dronk niet. Hij reed nooit zonder gordel. En twee dagen voor zijn dood stuurde hij me een bericht dat hij eindelijk wist wie jou destijds had laten neerschieten.’
De regen tikte harder tegen het raam. Beneden sloeg ergens een deur dicht.
‘Noem de naam.’
Eline keek naar de gang.
‘Niet zolang mijn dochter in dit huis is.’
Ik belde mijn hoofd beveiliging, Pieter Vos, en droeg hem op Noor naar de keuken te brengen en bij haar te blijven. Eline schudde haar hoofd.
‘Pieter niet.’
‘Hij werkt twaalf jaar voor me.’
‘Daan al drieëntwintig.’
Ik liet mijn telefoon zakken.
‘Wie vertrouw je dan wel?’