‘U ziet eruit alsof u pijn hebt… wilt u een knuffel?’ vroeg het zesjarige dochtertje van mijn huishoudster, enkele uren nadat mijn verloofde bekende dat de baby voor wie ik een complete kinderkamer had laten bouwen van een andere man was. Ik stond nog met haar echofoto in mijn hand toen haar moeder kwam aanrennen—en ik koud werd bij het zien van de vrouw die zeven jaar eerder mijn leven had gered… maar daarna spoorloos was verdwenen.

‘Niemand die door jou betaald wordt.’

Dat antwoord beviel me niet. Juist daarom wist ik dat het verstandig was.

Eline bracht Noor zelf naar de bibliotheek en zette een tekenfilm aan. Toen ze terugkwam, deed ze de deur op slot.

‘Sander installeerde zeven jaar geleden het camerasysteem in dat kantoor,’ zei ze. ‘Op de avond dat jij werd neergeschoten, stond het systeem zogenaamd uit. Dat klopte niet. Eén noodcamera schreef lokaal weg naar een verborgen geheugenmodule.’

‘Waarom kwam dat beeld nooit boven water?’

‘Omdat Daan de recorder liet verwijderen. Sander moest hem vernietigen.’

‘Maar dat deed hij niet.’

Eline haalde een kleine sleutel uit de zoom van haar uniform.

‘Hij verstopte hem.’

‘Waar?’

Ze knikte naar het handgemaakte ledikant.

Ik stond op. Onder de lattenbodem vond ik een zwart kastje ter grootte van een luciferdoosje, vastgezet met dubbelzijdige tape. Geen oude geheugenmodule, maar een moderne zender met een knipperend groen lampje.

Eline vloekte zacht.

‘Dat is niet van Sander.’

Ik rukte het kastje los. Aan de zijkant zat een microfoon.

Iemand luisterde mee in de kinderkamer.

De kamer waarin Vivienne wekenlang had aangedrongen op de duurste slimme apparatuur, terwijl ze zelf niets wilde installeren. De kamer waar Daan drie dagen eerder met een fles champagne had gestaan en had gezegd dat ik eindelijk iets naliet wat niet in een jaarverslag paste.

Mijn telefoon trilde.

Een bericht van Daan.

Gaat het een beetje?

Ik liet het aan Eline zien.

‘Hij weet dat Vivienne het verteld heeft,’ zei ze.

‘Hij weet meer dan dat.’

Ik liep naar de deur, maar Eline pakte mijn arm.

‘Als je nu achter hem aangaat, doet hij precies wat hij zeven jaar geleden probeerde.’

‘En wat stel jij voor?’

Ze hield de sleutel omhoog.

‘Dat we eerst ophalen waarvoor mijn broer is vermoord.’

De sleutel hoorde bij een kluis bij een particuliere opslag in Gouda. Eline had hem vier maanden eerder gevonden, maar ze durfde niet alleen te gaan. Twee keer had ze een grijze Volvo voor haar flat gezien. Een week later stond dezelfde auto bij Noors school.

Daarom had ze via een schoonmaakbureau werk in mijn huis aangenomen. Niet om geld te vragen. Ze wilde dicht genoeg bij me komen om te bepalen of ik Noor zou beschermen of haar als risico zou behandelen.

‘Je had naar binnen kunnen lopen en het zeggen.’

‘Mannen zoals jij noemen dat eenvoudig omdat andere mensen de gevolgen dragen.’

Ik nam die zin mee naar beneden.

Pieter stond in de hal. Hij zei dat de camera’s aan de oostzijde door een softwarefout waren uitgevallen. Zijn jas was nat, hoewel ik hem niet naar buiten had gestuurd.

‘Waar was je?’ vroeg ik.

‘Bij het hek.’

‘Wie heeft je gebeld?’

Een spier bewoog in zijn kaak.

Ik zag zijn hand naar de binnenkant van zijn jas gaan. Eline zag het ook. Ze trok Noor uit de bibliotheek, duwde haar achter zich en gooide de deur dicht.

Pieter haalde geen pistool tevoorschijn. Hij haalde een tweede telefoon uit zijn zak.

Op het scherm stond een open gesprek met Daan.

Ik sloeg hem niet. Ik zette hem tegen de muur en nam het toestel af.

‘Hij zei dat je onstabiel was,’ mompelde Pieter. ‘Dat je Vivienne iets zou aandoen.’

‘En daarom zette je mijn camera’s uit?’

‘Ik moest alleen zorgen dat ze veilig kon vertrekken.’

‘Met welke auto?’

Hij keek naar de vloer.

Op dat moment begreep ik dat Viviennes vertrek geen vlucht was geweest. Het was een zorgvuldig geplande ontruiming.

Mijn geld, mijn administratie en waarschijnlijk de digitale sleutels van mijn bedrijf waren al onderweg.

We verlieten het huis via de aanlegsteiger. Eline en Noor gingen in mijn boot zitten; ik stuurde over de donkere Vecht naar een klein pension van een gepensioneerde rechercheur die mij nog een schuld verschuldigd was. Niet omdat hij corrupt was, maar omdat ik jaren eerder had voorkomen dat zijn zoon een container opende waarin hij niet alleen drugs zou hebben gevonden.

Onderweg zat Noor tussen ons in, gewikkeld in mijn jas.

‘Bent u boos op mama?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Op mij?’

Mijn handen verstijfden rond het roer.

‘Nooit op jou.’

Ze dacht daar even over na.

‘Mama zegt dat “nooit” een duur woord is.’

Eline keek naar het water. Ik hoorde Sander in die zin. Ik hoorde ook mezelf, zeven jaar te laat.

In Gouda bleek de kluis leeg.

Er lag alleen een rode envelop met Sanders handschrift. Binnenin zat een kassabon van een fietsenwinkel in Rotterdam, een foto van een blauwe kinderfiets en een nummer dat naar een bagagekluis op Rotterdam Centraal verwees.

Sander had begrepen dat iemand hem volgde. De opslagbox was lokaas.

In de bagagekluis vonden we de originele geheugenmodule, een usb-stick en een brief aan Eline.

Op de beelden stond het kantoor aan de Waalhaven. De tijdcode gaf 02.14 uur aan. Ik kwam in beeld, gevolgd door Daan.

Er was geen geluid, maar zijn gezicht was duidelijk zichtbaar toen hij een pistool trok.

Hij had mij neergeschoten.