‘U ziet eruit alsof u pijn hebt… wilt u een knuffel?’ vroeg het zesjarige dochtertje van mijn huishoudster, enkele uren nadat mijn verloofde bekende dat de baby voor wie ik een complete kinderkamer had laten bouwen van een andere man was. Ik stond nog met haar echofoto in mijn hand toen haar moeder kwam aanrennen—en ik koud werd bij het zien van de vrouw die zeven jaar eerder mijn leven had gered… maar daarna spoorloos was verdwenen.

Niet een rivaliserende groep. Niet de corrupte douanier die ik daarna uit Rotterdam had laten verdwijnen. Mijn eigen neef.

De usb-stick bevatte meer. Bankafschriften, exportdocumenten en kopieën van betalingen via bedrijven in Cyprus. Daan had jarenlang geld uit De Wit Havenlogistiek gehaald. Sander had bovendien ontdekt dat Vivienne aandelenopties zou krijgen zodra zij met mij trouwde en een kind kreeg dat juridisch als mijn erfgenaam gold.

Daarom had Daan de brieven van Eline onderschept.

Noor mocht niet bestaan.

Vivienne moest wel zwanger worden.

En ik moest overlijden voordat iemand om een vaderschapstest vroeg.

Op de laatste geluidsopname hoorde ik Daan met Pieter praten.

‘Vrijdag na de aandeelhoudersvergadering,’ zei Daan. ‘In zijn werkkamer. Het wapen ligt in de onderste la. Daarna lijkt het alsof hij het nieuws over de baby niet trok.’

Pieter vroeg wat er met Eline en het meisje moest gebeuren.

Daan zweeg enkele seconden.

‘Een schoonmaakster met geldproblemen,’ zei hij toen. ‘Mensen geloven vanzelf wat bij hun vooroordelen past.’

Eline zette de opname stil.

Haar wijsvinger bleef op het toetsenbord rusten.

‘Hij wist van Noor.’

‘Ja.’

‘Al die tijd.’

‘Ja.’

Ze liep naar het toilet en deed de deur dicht. Ze huilde niet waar ik het kon zien. Ik hoorde alleen de kraan en daarna het droge klikken van een zeepdispenser die drie keer werd ingedrukt.

Mijn eerste instinct was Daan te vinden en hem eigenhandig af te maken.

Mijn tweede was beter.

Ik belde advocaat Marieke van Loon, die vijftien jaar mijn bedrijven had verdedigd zonder ooit te vragen waarom sommige facturen alleen uit nummers bestonden. Ik zei dat ze naar Gouda moest komen en een officier van justitie moest meenemen.

‘Begrijp je wat je me vraagt?’ zei ze.

‘Ja.’

‘Als je deze bestanden afgeeft, kijken ze niet alleen naar Daan.’

‘Dat weet ik.’

‘Ze kijken naar jou.’

Ik keek door het glas naar Noor. Ze zat op de grond van de gang en kleurde de pluchen vos met een balpen omdat niemand papier had meegenomen.

‘Dat wordt tijd.’

De aandeelhoudersvergadering op vrijdag ging door.

Daan zat aan het hoofd van de tafel in ons kantoor aan de Zuidas, alsof hij de plek alvast aan het uitproberen was. Vivienne zat rechts van hem in een crèmekleurige jurk. Haar hand lag beschermend op haar buik, maar haar ogen bleven op de rode map voor me gericht.

Pieter stond bij de deur.

Hij wist niet dat de recherche hem die ochtend al had gesproken. Hij had ingestemd met een gecontroleerde overdracht in ruil voor de mogelijkheid dat zijn medewerking bij de strafeis werd meegewogen.

‘Fijn dat je redelijk bent gebleven,’ zei Daan.

‘Dat hoor ik vaker van mensen die iets van me willen.’

De andere bestuursleden keken naar hun koffie.

Daan schoof een stapel documenten naar mij toe. Tijdelijke overdracht van mijn stemrecht wegens “acute psychische instabiliteit”. Daaronder lag een verklaring van een arts die mij nooit had onderzocht.

‘Teken,’ zei Vivienne zacht. ‘Dan hoeft dit niet lelijk te worden.’

Ik keek naar haar hand op haar buik.

‘Heeft hij je verteld dat hij mij zeven jaar geleden heeft neergeschoten?’

Haar vingers bewogen.

Dat was genoeg.