Vreemd maar waar: de meest plausibele verklaring voor de opkomst van radicaal-rechts is ook de minst populaire

Catherine de Vries hamert erop dat dwarsverbanden in peilingen je weinig vertellen over werkelijke oorzaken. ‘Stemt iemand [op] de PVV omdat ze migratie belangrijk vinden, of vinden ze migratie belangrijk omdat ze op de PVV stemmen?’ zei ze in mijn podcast.

Maar wat opvalt als je naar kiezersonderzoek kijkt is dat migratiestandpunten eigenlijk niet zo bijster veel veranderen. Wat dat betreft is het weinig plausibel dat allerlei actuele ontwikkelingen (zoals de doorbraak van radicaal-rechtse partijen) oorzaak zouden zijn van negatief migratiesentiment – dat sentiment is er namelijk al zo lang we het peilen. In 1994 vond iets meer dan de helft van Nederland dat we meer asielzoekers moeten terugsturen dan toelaten, in 2023 vond 63 procent dat.

Wat wel is veranderd: kiezers laten deze migratiestandpunten steeds nadrukkelijker meewegen in het stemhokje. In 1998 was migratie nog een electorale bijzaak (veel kiezers die negatief dachten over migratie kwamen niet eens opdagen bij verkiezingen), inmiddels is het voor veel kiezers hoofdzaak. Maar liefst 35 procent van de kiezers gaf bij de verkiezingen in 2023 aan dat zij hun stem vooral baseerden op het onderwerp migratie.

Misschien is dat ook niet zo vreemd. Als een hoop kiezers mínder asielmigratie willen, maar méér asielmigratie krijgen dan gaan ze dat als een probleem ervaren. De Eurobarometer peilt al bijna twee decennia wat mensen ervaren als de twee grootste problemen in hun land. Wat blijkt: als er veel werkloosheid is, dan noemen mensen vaak werkloosheid; is er veel inflatie, dan maken mensen zich zorgen over inflatie; en is er veel asielmigratie, dan zien mensen een migratieprobleem.

Maar wie over een langere periode kijkt ziet dat er de afgelopen vijf jaar bovengemiddeld veel asielmigranten binnenkwamen.

Een gapend representatiegat

Radicaal-rechtse partijen munten de onvrede over (asiel)migratie door te claimen dat er een culturele en politieke elite is die maling heeft aan de migratiezorgen van een hoop kiezers. ‘Populisten worden vaak omschreven als mensen die claimen een representatiekloof te dichten’, noteert politiek econoom Laurenz Guenther hierover. ‘Tot op heden hebben onderzoekers grotendeels nagelaten te controleren of dit klopt.’

Wat bleek: op onderwerpen als immigratie, integratie, en het bestraffen van criminaliteit was de gemiddelde Europese burger véél conservatiever dan de gemiddelde Europese politicus.

Vandaag de dag ziet dat plaatje er vermoedelijk wel anders uit. De gegevens van Guenther komen uit 2009, toen Europese rechtspopulistische partijen slechts 7 procent van de stemmen haalden.

Steeds gaf ergens tussen de 40 en 65 procent van de Zweedse kiezers aan minder asielmigratie te willen. Meestal was minder dan tien procent van de parlementsleden het daarmee eens. Pas toen de rechts-populistische Zweedse Democraten begonnen te groeien, verschoof de parlementaire opinie richting de publieke opinie.

Nu kun je het met recht betreuren dat de anti-migratiestandpunten die onder kiezers al normaal waren, nu ook onder politieke elites normaal zijn geworden. Maar het hoeft niet per se te verbazen dat in een vertegenwoordigende democratie populaire standpunten vroeg of laat vertegenwoordigd worden. Zeker als die standpunten – bijvoorbeeld: door de komst van meer asielmigranten naar Europa – in het hoofd van veel kiezers relevanter zijn geworden.

Wat mij weer terugbrengt bij het boek van Catherine de Vries over de opmars van radicaal-rechts in Europa – want daarin lees je over al het voorgaande dus niks. Wel over gesloten Britse huisartsenposten (winst voor Reform), slechte leningen van foute banken aan Franse gemeenten (een meevaller voor het Rassemblement National), en een olijfboomziekte in Puglia (kassa voor Lega).