Vreemd maar waar: de meest plausibele verklaring voor de opkomst van radicaal-rechts is ook de minst populaire

Nou is het op zichzelf een interessante vraag waarom inwoners van kleine gemeenten steeds vaker radicaal-rechts stemmen. Er zijn genoeg verklaringen denkbaar: progressieve hoogopgeleiden trekken naar de stad; het electoraat vergrijst; verkiezingen gaan steeds meer over culturele thema’s en inwoners van kleine gemeenten zijn altijd al cultureel conservatiever dan inwoners van grotere gemeenten en ga zo maar door.

Maar wat het ook moge zijn: het verhaal van De Vries – dat zij een zuiver causaal effect meet van een bezuinigingsoperatie in 2010 – houdt geen stand.

Na in eerste instantie nog inhoudelijk te reageren, weigerde De Vries in te gaan op verdere vragen. ‘Geen enkel research design is zonder beperkingen,’ concludeerde ze. ‘Dank voor het delen en meedenken over deze stof.’

Na het voorleggen van dit artikel liet De Vries weten dat mijn analyse ‘feitelijke onjuistheden en methodologische problemen’ bevatte, maar dat het ‘te ver gaat om alle methodologische kwesties puntsgewijs te bespreken’. Waarom? ‘Zulke discussies vragen om een wetenschappelijk forum waarin aannames, modelspecificaties en interpretaties systematisch kunnen worden getoetst en beoordeeld.’

(Haar volledige reactie en een uitgebreider rapport met mijn bevindingen inclusief een link naar de door mij gebruikte code en data zijn onderaan het stuk te lezen. Mijn commentaar is inmiddels ook ingediend bij het American Journal for Political Science.)

Huisartsenpost foetsie? Wist ik niet!

Goed, dit was misschien niet het sterkste bewijs voor haar these, maar het boek leunt natuurlijk niet alleen op dit ene Italiaanse onderzoek. Hoe zit het bijvoorbeeld met Nederland?

De Vries haalt een peiling aan die ze in juni 2023 samen met Simon van Teutem (ja, die Simon van Teutem!) heeft uitgevoerd. Respondenten die de meeste verslechtering van publieke dienstverlening ervaren stemmen elf procentpunt vaker op PVV, JA21, FvD of BBB. Da’s niet misselijk!

Maar wie het onderzoek van Van Teutem leest, ziet dat dit op zijn zachtst gezegd een wat selectieve samenvatting is van de bevindingen van de peiling.

Respondenten werd de vraag gesteld: heeft u het gevoel dat er de afgelopen vijf jaar bij u in de buurt ziekenhuizen, huisartsenposten, kinderdagverblijven, bibliotheken, basisscholen of middelbare scholen zijn verdwenen? Dat gevoel blijkt een aardige voorspeller van een stem op de BBB (indertijd een grensgevalletje radicaal-rechts), maar – nogal cruciaal – ongerelateerd aan een stem op radicaal-rechtse partijen als PVV, FVD, en JA21. Waarom die in het boek op één hoop zijn gegooid is niet duidelijk.

Kiezers brengen PVV, FVD en JA21 ook niet in verband met het thema ‘opkomen voor achtergestelde regio’s’. Integendeel: meer kiezers denken dat linkse partijen voor de regio opkomen dan radicaal-rechtse partijen.

Catherine de Vries meent dat zorgen over verschraling van publieke dienstverlening worden gebotvierd op migranten. Maar in een open vraag noemt nog geen procent van de respondenten migratie als oorzaak van het verdwijnen van publieke voorzieningen.

‘Politieke vervreemding wortelt [...] in de concrete ervaring van afbraak’, schrijft De Vries. Maar in het onderzoek van Van Teutem blijkt er helemaal geen verband te zijn tussen het daadwerkelijk verdwijnen van voorzieningen en het gevoel dat voorzieningen verdwijnen. Mensen denken dat er de afgelopen vijf jaar huisartsenposten, scholen en ziekenhuizen zijn gesloten in hun buurt terwijl dat niet zo is. En andersom: ze denken dat er niks is gesloten, terwijl dat wel zo is.

De meeste mensen lijken dus geen flauw benul te hebben of publieke voorzieningen verdwijnen of niet.

En – opvallend! – er zijn ook maar beperkte verschillen in de tevredenheid tussen stad en regio. Mensen in niet-stedelijke gebieden zijn inderdaad minder tevreden over het openbaar vervoer en de cultuurvoorzieningen dan mensen in de stad, maar ze zijn weer tevredener over het woningaanbod, de huisarts en het groen in de buurt. Deze verschillen nemen ook niet toe of af, maar lijken redelijk constant.

‘De afbouw van de publieke infrastructuur heeft een geografische breuklijn in de democratie getrokken’, schrijft De Vries. Maar voor de meeste kiezers blijkt deze afbouw van de publieke infrastructuur nauwelijks waarneembaar, laat staan belangrijk in het stemhokje.

Een bevinding die overigens ook herhaaldelijk in ander onderzoek naar voren is gekomen, onderzoek dat niet door De Vries wordt geciteerd.

Normaliseer de analyse van radicaal-rechts succes

Ik vond het dus niet zo’n goed boek: een zwakke theorie gestaafd met zwakke empirie. De Vries verheft een – in het beste geval – marginale verklaring voor radicaal-rechts succes tot de moederverklaring.

Bij anderen bleek de troostrijke gedachte dat rechts-radicale kiezers eigenlijk dezelfde zorgen hebben als progressieve intellectuelen er wel als zoete koek in te gaan. ‘Vijfendertig jaar neoliberaal marktdenken leidde tot een verschraling van publieke voorzieningen (bussen, bibliotheken, doktersposten)’ – en zo kregen Wilders en consorten de wind in de zeilen.