Waar ze naartoe ging.
Hoeveel ze uitgaf.
Daarna werd het erger.
Hij beheerde de bankrekening.
Controleerde haar telefoon.
Bepaalde wanneer ze jou en mama mocht bezoeken.
Wanneer Sanne zich verzette, dreigde hij Emma van haar af te pakken.
„Waarom heb je niets tegen mij gezegd?”
„Omdat ik me schaamde.”
„Je was mijn dochter.”
„Juist daarom.”
Ze keek weg.
„Jij vond Martijn geweldig.”
Dat was waar.
En die waarheid deed pijn.
Ik had hem betrouwbaar genoemd.
Hardwerkend.
Een goede vader.
„Maar waarom je dood in scène zetten?”
Sanne wreef met haar duim over de rand van haar kopje.
„Omdat ik wilde vertrekken. Ik had geld verstopt. Ik had een kamer geregeld. Ik wilde Emma meenemen.”
„En?”
„Martijn ontdekte het.”
Mijn handen balden zich tot vuisten.
„Heeft hij je iets aangedaan?”
Ze antwoordde niet direct.
Toen schoof ze haar mouw omhoog.
Op haar onderarm liep een oud litteken.
„Die avond dacht ik dat hij me zou vermoorden.”
Mijn keel werd droog.
„Maar waarom werkte hij daarna mee aan je verdwijning?”
Sanne keek me aan.
„Omdat ik bewijs had.”
„Waarvan?”
„Fraude.”
Ik zweeg.
„Martijn gebruikte zijn werk om geld weg te sluizen. Valse facturen. Bedrijven die alleen op papier bestonden. Ik had kopieën gemaakt.”
„Dus jullie sloten een deal.”
„Ik verdween. Hij liet me gaan. Ik beloofde dat ik het bewijs niet naar de politie zou brengen zolang hij Emma goed behandelde.”
Ik staarde haar aan.
„Je liet je dochter bij hem achter?”
De pijn op haar gezicht was onmiddellijk zichtbaar.
„Denk je dat ik daar niet iedere dag aan denk?”
„Ze was een baby!”
„Ik weet het!”
Haar stem brak.
„Ik weet het, pap.”
Ze drukte haar handen tegen haar ogen.
„Ik dacht dat hij haar nooit iets zou aandoen. Hij hield van Emma. Of dat dacht ik.”
„En mama?”
Sanne verstijfde.
„Wat?”
„Je moeder stierf zes maanden na jouw zogenaamde dood.”
Ze begon opnieuw te huilen.
„Ik hoorde het.”
Ik keek haar vol ongeloof aan.
„Je hoorde het?”
„Martijn vertelde het me.”
„En je kwam niet?”
„Ik kon niet.”
„Je moeder is gestorven terwijl ze dacht dat haar enige kind dood was!”
„Ik weet het!”
„Nee.”
Ik stond op.
„Dat weet je niet.”
„Pap…”
„Ik zat naast haar toen ze ‘s nachts wakker werd en jouw naam riep.”
Sanne huilde stil.
„Ik zag haar iedere dag minder worden.”
Mijn stem trilde nu.
„En jij leefde.”
„Het spijt me.”
„Dat is niet genoeg.”
„Dat weet ik.”
Ik liep naar het raam.
Buiten fietsten mensen voorbij alsof de wereld niet zojuist in tweeën was gebroken.
Na een lange stilte vroeg ik:
„Waarom ben je hier?”
Sanne keek naar het zorgcentrum aan de overkant.
„Na mijn verdwijning ging het slecht met me.”
„Hoe slecht?”
„Heel slecht.”
Ze vertelde dat ze onder een andere naam had geleefd. Eerst in België, later weer in Nederland. Ze had jarenlang nauwelijks contact met iemand gehad.
Paniek.
Slapeloze nachten.
Schuldgevoel.
Angst dat Martijn haar zou vinden.
De instelling waar ik haar had gezien hielp mensen die langdurige psychische begeleiding nodig hadden.
„En Martijn bezoekt je?”
„Sinds twee jaar.”
„Waarom?”
Sanne keek me aan.
„Omdat ik opnieuw contact met Emma wilde.”
Daar was het.
Emma.
„Weet zij dat je leeft?”
Sanne zweeg.
Mijn hart zonk.
„Sanne.”
„Ze heeft me gezien.”
„Wanneer?”
„Een paar maanden geleden.”
Alles begon op zijn plaats te vallen.
Emma’s angst.
Haar waarschuwing.
„Wat heeft Martijn haar verteld?”
„Dat ik ziek was. Dat ze niemand mocht vertellen dat ik leefde.”
Ik voelde woede door mijn lichaam trekken.
„Hij liet een kind dit geheim dragen?”
„Ik heb hem gezegd dat hij dat niet mocht doen.”
„Maar hij deed het toch.”
Sanne knikte.
„En het geld?”