Alle artsen die mijn 7-jarige dochter voor kanker behandelden, verkleedden zich voor haar verjaardag als superhelden

„Omdat we gisteren voldoende informatie hadden om het gesprek verantwoord te voeren. En omdat we vonden dat goed nieuws niet onnodig tot na het weekend hoefde te wachten.”

Ik knikte.

„Maar u zei het tegen haar alsof…”

Ik zocht naar woorden.

„Alsof het iets groters was dan alleen een medische uitslag.”

Hij keek naar mijn slapende dochter.

„Voor ons is een scan een scan. Een bloedwaarde is een bloedwaarde. We moeten nauwkeurig blijven. We mogen niet beloven wat we niet weten.”

Hij zweeg even.

„Maar voor een kind is een jaar bijna een eeuwigheid.”

Dat raakte me.

„Alice heeft bijna een zevende van haar leven in behandeling doorgebracht,” vervolgde hij. „Ze verdient een dag waarop het ziekenhuis niet alleen de plek is waar ze naalden en medicijnen krijgt.”

Hij keek naar de cape.

„Vandaag mocht het ook de plek zijn waar iets goeds gebeurde.”

Ik begon weer te huilen.

„Ik dacht dat ik vandaag sterk moest zijn voor haar.”

„Dat hoeft niet altijd.”

„Dat zegt iedereen.”

„Omdat het waar is.”

Hij stond op.

„Ga slapen als ze slaapt.”

Ik lachte zacht.

„Dat zeggen jullie ook altijd.”

„Omdat ook dát waar is.”


De maanden daarna waren anders dan ik had verwacht.

Ik had gedacht dat goed nieuws alle angst zou uitschakelen.

Dat deed het niet.

Voor iedere controle kon ik de nacht ervoor nauwelijks slapen.

Een verkoudheid maakte me nerveus.

Als Alice zei dat ze moe was, voelde ik onmiddellijk die oude paniek.

Als ze klaagde over pijn in haar been, schoot mijn hoofd naar de donkerste mogelijkheid.

Herstel bleek niet hetzelfde te zijn als vergeten.

Alice leek daar soms beter in te zijn dan ik.

Haar haar begon terug te groeien.

Ze ging steeds vaker naar school.

Eerst twee ochtenden.

Toen drie.

Later hele dagen wanneer haar lichaam het toeliet.

Op haar eerste volledige schooldag stond ik twintig minuten te vroeg bij het hek.

Toen ze naar buiten kwam, rende ik bijna op haar af.

„Mama,” zei ze. „Je doet raar.”

„Ik heb je gemist.”

„Ik was zes uur weg.”

„Dat is lang.”

„Je bent echt raar.”

Ze pakte mijn hand.

Ik had nog nooit zo graag raar gevonden willen worden.


De cape van Super Alice kreeg een vaste plek aan haar slaapkamerdeur.

Niet boven haar bed.

Alice vond dat „te dramatisch”.

Het kleine Supermanfiguurtje stond op haar nachtkastje.

Soms nam ze het nog mee naar controles.

Niet omdat ze dacht dat het speelgoed magische krachten had.

Maar omdat rituelen belangrijk kunnen worden wanneer zoveel in je leven buiten je controle ligt.

Bij iedere controle koos ze nog steeds een „maatje”.

Alleen noemde ze het geen chemomaatje meer.

„Controlemaatje,” verbeterde ze me de eerste keer.

„Sorry.”

„Mama, je moet echt beter opletten.”


Ongeveer een jaar na die verjaardag kwamen we opnieuw op de afdeling.

Geen verjaardag dit keer.

Gewoon een controle.

Alice was acht.

Haar haar was teruggekomen.

Korter en iets donkerder dan vroeger.

Ze droeg een spijkerbroek, gympen en een shirt met Wonder Woman erop.

Toen de liftdeuren opengingen, zag ze Sophie achter de balie.

„SOPHIE!”

Ze rende.

Sophie keek op en haar hele gezicht lichtte op.

Alice vloog in haar armen.

Ik bleef een paar meter verderop staan.

Niet omdat ik niet mee wilde doen.

Omdat ik het moment wilde zien.

Een jaar eerder was mijn dochter door diezelfde gang gereden in een rolstoel omdat ze te zwak was om te lopen.

Nu rende ze.

Dat ene beeld was genoeg.

Sophie liet haar los.

„Je bent gigantisch geworden.”

„Ik ben drie centimeter gegroeid.”

„Drie?”

„Drieënhalf.”

„Excuses.”

Alice knikte plechtig.

„Aanvaard.”

Haar oncoloog kwam de gang in.

Alice keek hem aan.

„Waar is je cape?”

Hij keek naar zijn witte jas.

„Was vandaag niet nodig.”

Alice dacht even na.

Toen opende ze haar rugzak.

Ze haalde haar eigen cape eruit.

SUPER ALICE.

„Voor de zekerheid,” zei ze.

Hij begon te lachen.