Hij werd terug naar zijn moeder gestuurd na de vraag: “Waar zijn mijn schone sokken? Heb jij die niet gewassen?”
“Wat is dit toch voor epidemie?” dacht Emilia. “Hoe moeilijk kan het zijn om je eigen sokken in een wasmachine te gooien? Ik vraag hem toch ook niet om mijn ondergoed te wassen?”
Emilia Manders had eigenlijk al vanaf haar geboorte een probleem met namen.
Niet háár probleem. Dat van haar oma Truus.
Toen haar vader Jan aankondigde dat zijn pasgeboren dochter Emilia zou heten, keek oma alsof iemand had voorgesteld het kind Lamborghini te noemen.
Jan vond dat onzin. Wat moest het dan worden? Annie? Truus? “Dan kan ze later ook meteen een permanentje nemen en bingo gaan spelen.”
Oma was beledigd. Emilia bleef Emilia.
Op school bleek oma gedeeltelijk gelijk te krijgen. Kinderen kunnen van werkelijk iedere naam iets maken. Omdat Manders verdacht dicht bij *mand* kwam en Emilia al snel Emmie werd, heette ze een tijdje “Emmie Mandje”. Niet vernietigend, wel irritant genoeg om thuis te verklaren dat ze later haar achternaam zou veranderen.
Dat deed ze niet.
Wat ze wel veranderde, was de rest.
Op de hogeschool werd Emmie ineens Émilie. Niet officieel natuurlijk. Gewoon in haar eigen hoofd en vrij snel ook bij haar vriendinnen. Ze droeg baretten die haar wonderlijk goed stonden, koos jurken boven vormeloze hoodies en had zich ergens een iets te elegante Franse uitspraak van haar eigen naam aangemeten.
De r bleef Nederlands, maar de blik erbij was Parijs.
Het werkte.
Émilie was mooi, slim genoeg, grappig als ze zin had en zeer bewust van het effect dat ze op mensen maakte. Alleen ontbrak er volgens haar nog één ding aan het plaatje: een man die erbij paste.
Kandidaten waren er genoeg. Maar een Bram, Kevin of Jeroen naast “Émilie” voelde voor haar als sportsokken onder een avondjurk.
“Je selecteert mannen op hun voornaam,” zei haar vriendin Sanne eens.
“Nee.”
“Je hebt gisteren een aardige jongen afgewezen omdat hij Henk heet.”
“Precies. Dus ik selecteer op het totaalbeeld.”
Sanne had haar glas wijn leeggedronken en besloten er geen energie meer aan te verspillen.
Na haar studie kreeg Emilia een baan bij een communicatiebureau in Utrecht. Via via leerde ze Emmanuel kennen.
Emmanuel.
Dat was tenminste een naam waar je een kaars bij kon aansteken.
Hij bleek ook nog geestig, belezen en knap genoeg om niet volledig op zijn naam te hoeven teren. Hun eerste afspraak was koffie, de tweede wijn, daarna werd het allemaal aanzienlijk minder openbaar.
Oma Truus was inmiddels naar een zorgappartement verhuisd en had haar oude koopflat met een royale familiekorting aan Emilia verkocht. Daardoor had Emilia, veel eerder dan de meeste vriendinnen, een eigen plek.
Emmanuel vond dat fantastisch.
Na een paar maanden vroeg hij haar ten huwelijk. Emilia zei ja. Ze schreven zich in voor het burgerlijk huwelijk en Emmanuel trok alvast bij haar in.
Na ongeveer een week bleek dat hun namen meer gemeen hadden dan zijzelf.
Emmanuel had een baan als accountmanager waar hij zelf zeer tevreden over was, vooral omdat niemand precies wist wat hij de hele dag deed. Zijn salaris verdween bijna volledig aan kleding, terrasjes, abonnementen en gadgets.
Tot zijn verhuizing had hij bij zijn ouders gewoond.
“Waarom zou ik drie keer zoveel betalen om alleen te wonen?” vroeg hij. “Mijn moeder vond het gezellig.”
Zijn moeder vond het blijkbaar ook gezellig om zijn was te doen, zijn beddengoed te verschonen en eten klaar te zetten.
In Emilia’s appartement bleek die service niet automatisch meegeleverd.
“Hebben we niks te eten?” vroeg hij op een avond terwijl Emilia nog met haar laptop aan de keukentafel zat.
“Jawel. De supermarkt is open.”
“Ik bedoel: eten.”
“Dat bedoel ik ook.”
Hij keek alsof zij een woordgrap maakte die hij niet begreep.
Het huishouden werd binnen twee weken een soort sociologisch onderzoek. Emmanuel zette glazen naast de vaatwasser, handdoeken vóór de wasmand en lege verpakkingen op het aanrecht, alsof een onzichtbare gemeentelijke dienst ze ‘s nachts kwam ophalen.
Toen Emilia voorstelde om schoonmaakwerk en boodschappen eerlijk te verdelen, zei hij:
“Maar jij verdient toch meer?”
“Wat heeft dat met de wasbak te maken?”
“Nou, als je geen zin hebt, kunnen we toch iemand inhuren?”