IK KWAM THUIS EN VOND MIJN VROUW IN EEN KIST

DEEL 7 — Daan Breekt

Daan hield het vier dagen vol.

Daarna brak hij.

Niet uit spijt.

Uit angst.

Marcus had hem laten horen hoe de woekeraar op de SD-kaart zei:

"Arthur betaalt je schuld alleen als jij levert. Anders pakken we eerst je handen, dan je broer."

Daan had altijd geloofd dat hij de lieveling was.

Maar in Arthurs netwerk was hij gewoon een zwakke schakel met een bruikbare achternaam.

Tijdens het verhoor zat hij ineengezakt, zijn wang nog steeds rood van Sophies klap.

"Ik wilde haar niet doden," zei hij.

De rechercheur vroeg:

"Wat wilde u dan?"

"Het logboek. Alleen het logboek."

"Waarom ging u 's nachts haar kamer binnen?"

"Ze wilde niet opendoen."

"Waarom niet?"

"Omdat ze wist dat ik loog."

Hij huilde.

Niet mooi.

Niet zoals iemand die berouw had.

Zoals iemand die voor het eerst consequenties zag.

"Hij zei dat Sander dood zou zijn als ik het niet deed."

"Wie?"

"Arthur."

"En uw moeder?"

"Mam... mam dacht dat Sophie alles erger maakte. Ze zei dat Sophie ons gezin kapot zou maken."

"Wat deed Trees toen Sophie wilde bellen?"

"Ze pakte de telefoon."

"En daarna?"

Daan zweeg.

"Daarna?"

"Hij... Arthur belde Beatrix."

"Hoe weet u dat?"

"Ik hoorde mam zeggen: 'Bea regelt het netjes.'"

"Wat betekende dat?"

Daan wreef over zijn gezicht.

"Dat Sophie niet als slachtoffer naar buiten mocht komen."

De rechercheur liet stilte vallen.

Daan begon sneller te praten.

"Ik heb haar vastgepakt. Ze sloeg me. Ze schreeuwde. Ik... ik duwde haar op het bed. Ze viel tegen het nachtkastje. Er was bloed. Ze ademde nog. Ik zweer het. Ze ademde nog toen ik wegging."

"Wie bleef er bij haar?"

"Mam."

"En Fleur?"

"In haar kamer. Op slot."

"Door wie?"

"Mam."

"En Beatrix?"

"Kwam later."

"Met wat?"

Daan slikte.

"Een zwarte tas."

"Welke zwarte tas?"

"Niet die van Sander. Een andere. Medisch spul. Papieren. Pillen misschien. Ik weet het niet."

Beatrix had dus niet alleen een uitvaart geregeld.

Zij had geholpen de doodsoorzaak te regisseren.

Toen ik dat hoorde, zat ik bij Fleur op haar bed. Ze sliep eindelijk. Haar handje lag om de pop. De pop had ze Sophie genoemd.

Ik liep naar de badkamer en sloot de deur.

Daar brak ik.

Niet hard genoeg dat Fleur wakker werd.

Maar hard genoeg dat ik de wastafel moest vasthouden om niet op de grond te zakken.

Ik had mannen zien sterven op routes waar niemand ooit officieel over sprak.

Ik had bedreigingen overleefd.

Ik had geleerd kalm te blijven wanneer adrenaline door mijn lijf jaagde.

Maar niets in mijn leven had mij voorbereid op de wetenschap dat mijn vrouw nog ademde toen mijn moeder haar achterliet.