DEEL 8 — De Val Voor Arthur
Arthur Visser werd niet meteen gearresteerd.
Dat was Marcus' beslissing.
En ik haatte hem er bijna om.
"Je hebt zijn stem. Het logboek. Daan's verklaring. Beatrix' bericht. Waar wachten jullie op?"
"Op zijn netwerk."
"Hij heeft mijn vrouw laten doden."
"En als we hem nu pakken, sterft de rest van het netwerk juridisch in schaduw. Sophie heeft meer gevonden dan één man."
Ik wilde schreeuwen.
Maar Sophie had niet gevochten voor een halve waarheid.
Dus wachtte ik.
Niet passief.
Ik werkte mee.
Mijn rol was simpel: doen alsof ik gebroken was, maar nog niet wist hoe diep Arthur erin zat.
Dat was niet moeilijk.
Gebroken was ik.
Onwetend spelen was het acteren.
Arthur belde mij op dag zes.
Zijn stem klonk precies zoals altijd: warm, laag, gecontroleerd.
"Sander. Mijn god. Ik hoorde net wat er gebeurd is. Ik ben sprakeloos."
Ik keek naar Marcus, die me aankeek vanachter de opnameapparatuur.
"Ben je dat?"
"Ik kan me niet voorstellen wat je doormaakt. Sophie was een fantastische vrouw."
Mijn hand sloot zich om de telefoon.
Ik dacht aan zijn bericht:
Sophie mogelijk risico.
"Ik weet niet wat ik moet doen," zei ik.
Arthur zuchtte zwaar.
"Rouw. Zorg voor Fleur. Laat de politie hun werk doen, maar pas op. In dit soort kleine dorpen maakt familiepaniek veel kapot."
"Ze denken dat Daan erbij betrokken is."
"Jouw broer is een idioot, maar geen moordenaar."
"Hoe weet je dat?"
Een fractie stilte.
Te klein voor verdriet.
Groot genoeg voor schuld.
"Ik bedoel: ik ken jullie familie."
"Ik wil terug naar kantoor. Er ligt nog een zwarte tas in mijn werkkluis. Misschien moet ik die veiligstellen."
Marcus hief zijn hand.
Goed.
Arthur antwoordde te snel:
"Nee. Laat dat aan mij over. Jij moet daar nu niet mee bezig zijn."
"Er stond mogelijk iets in dat Sophie had gevonden."
"Wat bedoel je?"
Zijn stem verloor warmte.
"Ik weet het niet. Logboek misschien."
Stilte.
Daarna:
"Sander, luister heel goed. Er zijn bedrijfsgevoelige documenten die je niet met politie moet delen voordat je juridisch advies hebt. Niet omdat we iets verbergen, maar omdat je anders zelf in de problemen kunt komen."
"Ik?"
"Sophie kan dingen verkeerd hebben geïnterpreteerd."
Daar was het.
Zelfs dood moest zij nog hysterisch worden gemaakt.
Net als alle vrouwen die iets te veel zagen.
"Arthur," zei ik zacht. "Heb jij haar gesproken?"
"Een keer. Kort. Ze was overstuur."
"Waarom zei je dat niet?"
"Omdat ik je wilde beschermen."
Ik keek naar Marcus.
Die sloot zijn ogen.
Altijd dezelfde zin.
Ik wilde je beschermen.
Het favoriete dekentje over geweld.
"Kunnen we praten?" vroeg ik.
"Vanavond. Niet thuis. Te veel politie. Ik stuur je een locatie."
Hij stuurde een verlaten distributieloods bij Apeldoorn.
Natuurlijk deed hij dat.
Mannen zoals Arthur denken dat zij alleen vallen wanneer ze in volle zon staan.
Die avond ging ik erheen.
Niet alleen.
Onder mijn jas droeg ik een microfoon. In de omgeving stonden twee observatieteams. Marcus was er, Van der Laan van landelijke recherche, en een financieel team dat wachtte op één ding: directe bekentenis of overdracht.
Arthur stond in de loods bij een zwarte Mercedes.
Hij droeg een kasjmieren jas en leren handschoenen. Zelfs bij verraad had hij stijl.
"Sander," zei hij. "Je ziet er vreselijk uit."
"Mijn vrouw is dood."
"Daarom ben ik hier."
"Nee," zei ik. "Je bent hier voor het logboek."
Zijn gezicht veranderde nauwelijks.
Maar genoeg.
"Waar is het?"
"Veilig."
"Bij de politie?"
"Misschien."
Hij zuchtte.
"Dan heb je een probleem."
"Ik?"
"Je naam staat in dat boek. Routes. Handtekeningen. Transporten. Denk je echt dat iemand gelooft dat jij niets wist?"
Ik keek hem aan.
Daar was de val.
Niet alleen Sophie dood.
Niet alleen Daan gebruikt.
Ik moest, als het nodig was, medeplichtige worden.
Zodat ik zou zwijgen.
"Je hebt Sophie laten uitschakelen," zei ik.
"Nee. Daan raakte in paniek."
"Door jouw opdracht."
"Hij moest een tas halen."
"En mijn moeder moest haar telefoon afpakken."
Arthur stapte dichterbij.
"Jouw moeder begreep dat familie soms offers vraagt."
Ik voelde mijn bloed koud worden.
"Mijn vrouw was geen offer."
"Je vrouw was een risico."
Hij zei het.
Hardop.
Duidelijk.
In mijn oor klonk Marcus' stem via het micro-oortje:
"Hebbes."
Arthur vervolgde:
"Geef mij de pas en het logboek. Ik zorg dat Daan de schuld krijgt voor alles wat thuis gebeurde. Jij houdt je baan, je pensioen, je dochter. Je kunt opnieuw beginnen."
Ik keek naar hem.
"Met welk geld? Het salaris waarmee je mijn vrouw betaalde in bloed?"
Hij glimlachte droevig.
"Je bent emotioneel. Begrijpelijk."
"Nee. Ik ben klaar."
Achter de pallets gingen lampen aan.
"Politie! Handen zichtbaar!"
Arthur keek niet naar de agenten.
Hij keek naar mij.
En voor het eerst zag ik angst in zijn ogen.
Niet omdat hij gearresteerd werd.
Omdat hij begreep dat Sophie niet voor niets gestorven was.