Toen ik mijn koortsige vrouw naast onze schreeuwende pasgeboren dochter aantrof, stond mijn moeder boven haar en zei: ‘Ze stelt zich aan.’ Ik geloofde haar bijna, tot ik de thermometer op de vloer zag en de berichten op mijn vrouwens telefoon las. Wat ik die nacht in het ziekenhuis ontdekte, veranderde niet alleen hoe ik naar mijn moeder keek, maar ook wie er voortaan bij ons thuis mocht komen.

‘Nog niet.’

‘Hoe lang ga je dit volhouden?’

Ik keek naar de achterdeur. Binnen lag de sleutelbos op het aanrecht. Haar reservesleutel zat er niet meer aan.

‘Tot Noor zich daar goed bij voelt.’

‘Ze kan toch niet voor altijd boos blijven?’

‘Dit gaat niet over boos blijven.’

‘Ik ben haar moeder niet,’ zei mijn moeder. ‘Je kunt mij niet verantwoordelijk houden voor alles wat haar is overkomen.’

‘Dat doe ik ook niet. Ik houd je verantwoordelijk voor wat jij hebt gedaan.’

Ze zuchtte. ‘Ik dacht dat je mij kende.’

‘Dat dacht ik ook.’

Ze verbrak de verbinding.

Een week later stuurde ze een kaart. Er stond niets in over koorts of de afgezegde afspraak. Alleen: Ik mis Mila. Ik hoop dat jullie goed voor haar zorgen.

Noor legde de kaart in een la. Ze hoefde haar niet weg te gooien, zei ze. Ze hoefde er ook niet op te antwoorden.

De eerste keer dat mijn moeder Mila weer zag, was ruim twee maanden later. Noor had de afspraak voorgesteld. Overdag, in een café aan de rand van het park. Een uur. Geen onverwacht bezoek en geen sleutel.

Mijn moeder kwam tien minuten te vroeg. Ze had een klein vestje voor Mila gebreid, grijs met gele knoopjes. Ze gaf het aan Noor, niet aan mij.

‘Dank je,’ zei Noor.

Mijn moeder vroeg voordat ze Mila oppakte. Noor knikte. Ze hield de baby voorzichtig tegen haar borst, zonder haar vast te klemmen. Toen Mila begon te huilen, gaf ze haar meteen terug.

‘Ze moet waarschijnlijk eten,’ zei mijn moeder.

‘Ik regel het,’ zei Noor.

Mijn moeder keek naar haar handen. ‘Ik had toen naar je moeten luisteren.’

Noor bleef een paar tellen stil. ‘Ja.’

‘Het spijt me.’

‘Ik weet dat je spijt hebt.’

Mijn moeder knikte. Ze vroeg niet of Noor haar vergaf. Dat was misschien het eerste verstandige wat ze in maanden deed.

Na een uur stonden we op. Mijn moeder wilde Mila nog een keer vasthouden, maar wachtte tot Noor iets zei. Noor gaf haar de baby terug. Buiten was het droog. De stoep glom nog van de regen.

In de auto vroeg Noor of ik het goed vond dat mijn moeder terug in ons leven kwam.

‘Dat bepaal jij niet alleen,’ zei ze.

‘Nee. Jij ook.’

‘En ik wil dat we het rustig doen.’

‘Dat doen we.’

Mila sliep op de achterbank. Toen we thuiskwamen, legde ik de sleutelbos op tafel en controleerde ik de voordeur. Niet omdat ik bang was dat mijn moeder binnen zou komen. Omdat ons huis weer van ons moest zijn.

Die avond zette Noor een glas water naast haar bed en schoof de thermometer in het nachtkastje. Ze deed dat zonder iets te zeggen. Ik vroeg niet of ze zich zorgen maakte.

Ik pakte Mila op toen ze begon te huilen. Noor draaide zich om en trok het dekbed over haar schouder.

In de keuken stond de grijze doos van mijn moeder nog op de stoel. Het vestje lag erin. Ik liet het daar liggen tot Noor zelf besloot wat ze ermee wilde doen.