Toen ik thuiskwam van mijn zakenreis, vond ik mijn driejarige dochter kaalgeschoren en trillend op de bank. Mijn schoonmoeder zei: “Dat leert haar wel van andermans spullen af te blijven.” Ik pakte mijn dochter op en vertrok zonder ruzie te maken — maar diezelfde nacht zette ik de verborgen camera aan en zag ik wie er werkelijk al maanden uit ons huis stal.

“Naar buiten.”

“Maarten.”

“Naar mijn broer.”

“Je hoeft niet meteen—”

Ik keek haar aan.

Dat was genoeg.

Ze zweeg.

Ik pakte Lottes jas van de kapstok, mijn autosleutels en mijn laptoprugzak.

Liesbeth stond nog steeds bij de tafel.

“Je beloont haar nu dus.”

Ik bleef bij de voordeur staan.

“Ze is drie.”

“Dat blijf je zeggen alsof driejarigen geen grenzen nodig hebben.”

“Grenzen wel.”

Ik keek naar haar tondeuse, die nog op het dressoir lag.

“Jou niet.”

Daarna trok ik de deur dicht.

Mijn broer Bram woonde in Haarlem, samen met zijn vriendin Noor. Hij deed geen vragen toen ik om kwart voor zes met een koffer en een kaalgeschoren peuter voor zijn deur stond.

Hij zag Lotte.

Toen keek hij mij aan.

“Logeerkamer is vrij.”

Dat was Bram.

Een kamerplant was spraakzamer, maar op slechte dagen ook minder bruikbaar.

Noor, huisarts in opleiding, ging met Lotte op de bank zitten en bekeek voorzichtig haar kaak en hoofdhuid.

“Geen wondjes die gehecht moeten worden,” zei ze. “Wel irritatie. En deze blauwe plek wil ik morgen officieel laten vastleggen.”

Ik knikte.

Lotte zat inmiddels onder een deken met een bakje yoghurt.

“Wil je vertellen wat er gebeurd is?” vroeg Noor.

Lotte schudde haar hoofd.

“Hoeft niet.”

Dat leek belangrijk.

Voor het eerst die dag vertelde een volwassene haar dat iets níét hoefde.

Mijn telefoon trilde.

Sanne.

Zes gemiste oproepen.

Daaronder WhatsApp.

Kunnen we alsjeblieft praten?

Mam is overstuur.

Daarna:

Dit loopt uit de hand.

Ik keek naar mijn dochter.

Het liep inderdaad uit de hand.

Alleen niet vandaag.

Waarschijnlijk al veel langer.

Om halfacht bracht Bram Chinees. Lotte at drie happen nasi en viel tegen mijn arm in slaap.

Toen ze diep genoeg sliep, bracht ik haar naar boven.

Op de overloop bleef ik staan.

Er was iets dat Liesbeth had gezegd.

Tweehonderd euro.

Uit haar tas.

Vier dagen eerder, vlak voor ik naar Frankfurt vertrok, had ik toevallig nog contant geld gezien in Liesbeths portemonnee toen ze bij ons thuis boodschappen afrekende.

Geen tweehonderd.

Een stapel biljetten.

Zeker duizend euro.

Ze hield vaker cash bij zich. Ze vertrouwde banken “maar tot op zekere hoogte”, wat een opvallend standpunt was voor iemand die vijfendertig jaar bij een verzekeraar op de financiële administratie had gewerkt.

Maar er was iets anders.

Geld verdween al maanden bij ons thuis.

Eerst kleine bedragen.

Twintig euro uit mijn jas.

Vijftig uit een la.

Sanne had me twee maanden geleden gevraagd of ik driehonderd euro uit onze gezamenlijke huishoudpot had genomen.

Had ik niet.

Een week later was haar gouden armband weg.

Daarna twee enveloppen met verjaardagsgeld van Lotte.

Iedere keer was er een praktische verklaring.

We waren slordig.

We waren moe.

We waren het vergeten.

Liesbeth zei zelfs eens:

“Met zo veel mensen over de vloer kan het iedereen zijn.”

Maar er kwamen nauwelijks mensen over de vloer.

Behalve zij.

En mijn zwager, Daan.

Daan was Sanne’s oudere broer, achtendertig, zelfstandig aannemer en al drie jaar bezig met een “tijdelijk liquiditeitsprobleem”.

In gewone taal: schulden.

Veel schulden.

Hij kwam regelmatig langs wanneer ik niet thuis was. Voor koffie, zei hij.

Voor zijn moeder, zei Sanne.

Om met Lotte te spelen, zei Liesbeth.

Een maand eerder had ik daarom een kleine binnencamera gekocht.

Niet om iemand te betrappen.

Dat had ik mezelf tenminste verteld.

Hij stond tussen boeken in de woonkamer, gericht op het dressoir en een deel van de keuken. Bewegingsdetectie. Opslag in de cloud.

Ik had hem geïnstalleerd nadat opnieuw geld verdwenen was.

Daarna was er niets meer gebeurd.

Tot mijn reis.

Ik ging beneden aan Brams eettafel zitten en opende mijn laptop.

De camera-app vroeg om mijn wachtwoord.

Mijn hand bleef boven het toetsenbord hangen.

Bram keek vanaf de keuken.

“Wat doe je?”

“Controleren of ik gek ben.”

“En?”

“Geef me vijf minuten.”

De eerste opnamen waren saai.

Liesbeth die dinsdagochtend binnenkwam.

Sanne die Lotte haar jas aantrok.

Daan die woensdagmiddag een krat gereedschap in de gang zette.

Ik versnelde.

Woensdag, 14.17 uur.

Daan liep alleen de woonkamer binnen.

Hij keek richting keuken.

Toen naar de gang.

Daarna trok hij de lade onder ons dressoir open.

Mijn rug werd recht.

Hij haalde een envelop tevoorschijn.

De envelop waarin wij geld spaarden voor een weekendje Texel.

Hij telde de biljetten.

Vierhonderd euro.

Hij stopte alles in zijn jaszak.