Geen discussie.
Geen “doe normaal”.
Geen schuldgevoel.
Gewoon niet.
Dat was klein.
Maar ik zag het.
Daan zag Lotte niet meer.
Niet omdat ik hem voor eeuwig als monster wilde behandelen.
Maar omdat een kind geen oefenterrein is voor iemands herstel.
Hij volgde schuldhulpverlening en behandeling voor zijn gokproblematiek. Een jaar later werkte hij in loondienst bij een bouwbedrijf in Zaandam.
We stuurden elkaar geen kerstkaarten.
Dat leek me voor iedereen overzichtelijker.
Liesbeth bleef afstand houden.
Of beter gezegd: wij hielden afstand en zij noemde dat in familieberichten “de muur die Maarten heeft gebouwd”.
Na verloop van tijd antwoordde niemand daar nog op.
De familie-WhatsAppgroep werd merkwaardig stil.
Waarschijnlijk het gezondste wat die groep ooit had geproduceerd.
Lottes haar groeide terug.
Eerst als zachte stoppels.
Daarna een warrige bruine laag die iedere ochtend precies dezelfde kant op stond, ongeacht hoeveel water ik gebruikte.
Op haar vierde verjaardag wilde ze twee gele speldjes.
Ik stond in de badkamer achter haar.
Ze keek naar zichzelf in de spiegel.
“Niet kort maken, hè papa?”
Mijn hand stopte.
“Alleen speldjes.”
“Beloofd?”
“Beloofd.”
Ze dacht daar een paar seconden over na en knikte toen.
Ik klikte het eerste speldje vast.
Daarna het tweede.
Ze draaide haar hoofd naar links en rechts.
“Scheef.”
“Een beetje.”
“Kun je het beter?”
“Waarschijnlijk niet.”
Ze zuchtte zoals alleen kleuters dat kunnen wanneer ze beseffen dat hun ouders structureel ondergekwalificeerd zijn.
Toen corrigeerde ze zelf het speldje.
Die middag kwam Sanne langs met een cadeautje.
Ze bleef bij de voordeur staan tot Lotte haar binnen vroeg.
Dat hadden we afgesproken.
Geen vanzelfsprekendheden meer.
Sanne gaf haar een grote doos.
Lotte scheurde het papier open.
Binnen zat geen pop.
Geen jurk.
Geen speelgoedkappersset.
Een houten kistje met verf, penselen en papier.
Lotte keek op.
“Voor mij?”