ZE WILDEN DAT IK TEKENDE VOOR MIJN MANS DOOD

DEEL 7 — Marianne

Marianne werd twee dagen later aangehouden.

Niet in haar huis.

Niet in een kantoor.

In de parkeergarage van het ziekenhuis, waar zij probeerde een kleine tas met documenten aan Van Heerde's assistente te geven.

De tas bevatte drie USB-sticks, een map met crisisvolmachten en een papieren lijst met namen van patiënten uit verschillende ziekenhuizen.

Dat laatste maakte de zaak explosief.

Niet alleen financiële fraude.

Niet alleen poging tot vergiftiging of medicamenteuze mishandeling.

Patiëntdata.

Ziekenhuisvertrouwen.

Mensen die nooit hadden geweten dat hun medische logistieke spoor waarde had voor bedrijven die winst zagen in kwetsbaarheid.

Marianne bleef koud tijdens het eerste verhoor.

Ze ontkende.

Ze noemde zichzelf moeder.

Bestuurder.

Beschermer van familievermogen.

Toen de rechercheur vroeg waarom zij Emma niet onmiddellijk had opgedragen 112 te bellen, zei ze:

"Ik moest de situatie overzien."

"Uw zoon lag bewusteloos."

"Ik ben geen arts."

"U belde wel een arts."

"Een vertrouwde arts."

"Die een operatie adviseerde zonder de patiënt te zien."

"Dat moet u hem vragen."

Marianne was goed.

Niet eerlijk.

Goed.

Maar ze had één fout gemaakt.

Ze dacht dat Gerard zwak bleef.

Gerard brak op dag drie.

Niet uit heldendom.

Uit walging, eindelijk.

Hij gaf een verklaring.

Over de eerste keer dat hij twijfelde aan Novamedica.

Over Marianne die zei dat moderne zorgdata "het nieuwe vastgoed" was.

Over Van Heerde die hem geruststelde dat alles juridisch "grijs maar verdedigbaar" was.

Over Jeroen die steeds nerveuzer werd.

Over Emma die op familiediners verscheen onder het excuus van projecten.

Over mij, die Marianne consequent "dat academische vrouwtje" noemde.

"Waarom zei u niets?" vroeg de rechercheur.

Gerard huilde.

"Ik wilde mijn gezin niet verliezen."

De rechercheur zei:

"En daardoor verloor u het alsnog."

Gerard ondertekende zijn verklaring.

Daarna vroeg hij of hij mij mocht spreken.

Ik wilde nee zeggen.

Noor zei:

"Je mag ook later nee zeggen."

Dus ging ik.

Gerard zat in een verhoorkamer, ouder dan drie dagen eerder. Alsof zijn lichaam eindelijk had begrepen wat zijn geweten al wist.

"Sanne," zei hij.

Ik ging tegenover hem zitten.

"Ik kom niet om je te vergeven."

"Dat verdien ik niet."

"Goed begin."

Hij slikte.

"Ik heb altijd geweten dat jij slimmer was dan wij je lieten voelen."

"Dat is geen compliment. Dat is een schuldbekentenis."

"Ja."

Hij keek naar zijn handen.

"Marianne haatte jou omdat Jeroen naar je luisterde. Niet altijd. Niet genoeg. Maar meer dan naar haar."

"Jeroen luisterde vooral naar zichzelf."

"Ook waar."

Hij lachte niet.

"Toen jij vannacht die waarden noemde... ik zag het. Ik wist dat je gelijk had. En toch hoopte een deel van mij nog dat je zou tekenen. Omdat tekenen makkelijker was dan alles laten openbreken."

Ik keek naar hem.

"Je hoopte dat ik een fout zou maken om jullie waarheid te vermijden."

Hij sloot zijn ogen.

"Ja."

Die eerlijkheid was lelijk.

Maar nuttig.

"Waarom zeg je dit?"

"Omdat ik wil getuigen."

"Voor jezelf?"

"Ja."

"Voor strafvermindering?"

"Waarschijnlijk."

"Voor je zoon?"

Hij keek naar de tafel.

"Ik weet niet of ik nog weet wat dat betekent."

Ik stond op.

"Getuig dan omdat de patiënten dat verdienen. Niet omdat je plotseling vader wilt zijn."

Bij de deur bleef ik staan.

"Gerard."

Hij keek op.

"Je hoeft mij nooit meer pap te noemen," zei hij.

Ik knikte.

"Dat was ik ook niet van plan."